Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Jezuïeten - Zending Vandaag / Volksapostolaat: een ignatiaanse traditie.

Volksapostolaat: een ignatiaanse traditie.

Redactie Cardoner on 03/02/2008 - 2:19 pm in Jezuïeten - Zending Vandaag

door Marc De la Marche S.J.

 Naast spiritueel werk in strikte zin (geestelijke oefeningen, geestelijke begeleiding e.a.), onderwijs (middelbaar en hoger), intellectueel apostolaat op alle niveaus, sociaal apostolaat met en voor de armen, en naast missionaire verkondiging is ook wat men het “volksapostolaat” noemt een van de vormen geweest waarin het apostolisch engagement van de jezuïeten zich in de loop van de geschiedenis altijd weer heeft uitgedrukt. In Vlaanderen heeft dat volksapostolaat een heel concrete en uiterst vruchtbare vorm gekregen in het kader van het wereldwijde “Apostolaat van het Gebed” (door de kerk aan de Sociëteit van Jezus toevertrouwd), en wel in wat men voor het laatste concilie de “Bonden van het Heilig Hart”, en na het concilie “Kerk & Wereld” noemde. De redactie van Cardoner vroeg aan Kerk & Wereld wat eigenlijk bedoeld wordt met volksapostolaat, vanuit welke spirituele (ignatiaanse?) visie Kerk & Wereld apostolisch werkzaam is, welke evolutie het werk heeft gekend, of deze evolutie nu nog verder gaat, en zo ja, hoe.

 “Kerk & Wereld is er voor de ‘gewone mens’, voor de ‘gewone gelovige’, voor de ‘grote massa’. Het wil die gewone mens in zijn (zoekend) geloven en bidden bevestigen, bemoedigen en ondersteunen, hem helpen groeien in overgave en vertrouwen midden in het dagelijkse leven, en hem sterken in zijn inzet voor de mens naast hem en voor de mens in nood.” Op deze wijze werd en wordt nogal eens verwoord wie en wat Kerk & Wereld op het oog heeft.

Ik ben me er ten volle van bewust dat dit een uiterst algemene, vage en onduidelijke omschrijving is. Wie is in godsnaam die zogenaamde “gewone” mens? Wie en wat is “gewoon”? Wie bepaalt wat “gewoon” is? Wellicht dacht men bijvoorbeeld tot de jaren zestig van de vorige eeuw bij “de grote massa” in Vlaanderen aan de vele gelovigen die op zondagmorgen onze kerken vulden, zowel aan degenen die vooraan in de kerk zaten en “te communie” gingen, als aan de velen die achteraan bleven staan om nog voor de zegen zo snel mogelijk weer naar buiten te kunnen lopen. Die massa is sinds vele jaren verdwenen. En toch blijft het bij Kerk & Wereld gaan om die grote massa, ook al is die niet meer in de kerk te vinden en ook al bereikt Kerk & Wereld die nu niet meer. Zoals iemand van ons team het graag uitdrukt: het gaat om de mensen die op zaterdag naar de markt gaan of aan het winkelen zijn in de Bruul (een drukke winkelwandelstraat in Mechelen), om de mensen die in de winkels van Hema, Vögele, C&A, Aldi en vele andere hun inkopen doen. Het gaat m.a.w. om de man en de vrouw in de straat. Ook al is deze man en deze vrouw in de straat nu grondig anders dan de man en de vrouw in de straat van pakweg veertig jaar geleden (we komen er verder op terug).

Ik wil enkele pistes openen die ons op het spoor kunnen brengen van wie Kerk & Wereld met deze gewone (zoekend) gelovige mens op het oog heeft en die ons ook kunnen laten “aanvoelen” waarom Kerk & Wereld het belangrijk vindt deze gewone (zoekende) gelovige in zijn geloof te ondersteunen. Wie echter een duidelijke definitie verlangt van de “gewone” gelovige, zullen we moeten teleurstellen (of integendeel geruststellen): die definitie bestaat niet.

 Eerste spoor: de Schrift

Als we van Maria en Jozef spreken, zeggen we dat ze “gewone” mensen waren. We bedoelen daarmee dat ze geen schriftgeleerden, priesters of tempeldienaars waren (al heeft bv. het evangelie volgens Jakobus dat al snel van Maria gemaakt!). Jezus zelf wordt de zoon van een timmerman genoemd, levend in Nazaret, in Galilea (niet in Judea, niet in Jeruzalem). Ook zijn apostelen waren in die zin “gewone” gelovige Joden. Als Jezus het op bepaald ogenblik vol vreugde uitjubelt, zegt Hij: “Ik loof U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat U deze dingen voor wijzen en verstandigen hebt verborgen, maar ze aan eenvoudige mensen hebt onthuld. Ja, Vader, zo hebt U het gewild” (Mt 11,25).

Als Paulus na zijn toespraak op de Areopaag van Athene naar Korinte trekt, richt hij zich, zoals bijna overal, tot het gewone volk.

 “Denk eens aan uw roeping, broeders en zusters. Onder u waren er niet veel die naar menselijke maatstaf wijs waren, niet veel die machtig waren, niet veel die van voorname afkomst waren. Maar wat in de ogen van de wereld dwaas is, heeft God uitgekozen om de wijzen te beschamen; wat in de ogen van de wereld zwak is, heeft God uitgekozen om de sterken te beschamen; wat in de ogen van de wereld onbeduidend is en wordt veracht, wat niets is, heeft God uitgekozen om wat wél iets is teniet te doen. Zo kan geen mens zich tegenover God op iets beroemen” (1Kor 1,26-29).

 In de Handelingen leren we Lydia uit Filippi kennen. Ze handelde in purperen stoffen en nam Paulus in haar huis op. In Korinte deed een zekere Aquila, leerbewerker, hetzelfde. En naast hen hebben de Handelingen het nog over vele anderen: allemaal “gewone” mensen die een belangrijke rol zullen spelen in de groei en de verspreiding van het jonge christendom.

Wat wil ik zeggen? Dat we in het Nieuwe Testament lezen, en dat dit Nieuwe Testament verkondigt, dat vanaf het begin van Jezus openbaar optreden “gewone” gelovige joodse mensen dragers en verkondigers zijn geworden van geloof. Dat in de groei en de verspreiding van het christendom in de eerste eeuwen, naast een Paulus, ook altijd “gewone gelovige mensen” belangrijke dragers en verkondigers zijn geweest van datzelfde geloof. Ik meen dat dit ook in onze tijd nog altijd het geval is!

 Tweede spoor: Ignatius en de Sociëteit van Jezus

Ik lees in de Formula Instituti, opgesteld in 1539 en opgenomen in de pauselijke bul Regi-mini Militantis Ecclesiae van 1540:

 “Prent het goed in je hart – nadat je maagdelijkheid voor het leven hebt beloofd – dat je deel uitmaakt van een gemeenschap met een specifiek doel: het christelijk leven en de christelijke leer bij de mensen bevorderen én het geloof doorgeven door de dienst van het woord, door geestelijke oefeningen, door dienstbetoon, en met name door kinderen en eenvoudigen christelijk te vormen” (§1).

 Wat verder lezen we:

 “Je zult vooral de vorming van kinderen en eenvoudigen ter harte nemen: dat men hen onderricht in de tien geboden en in de andere elementaire aspecten van de christelijke leer, steeds rekening houdend met de omstandigheden van personen, plaats en tijd. Het is uiterst belangrijk op dit gebied dat de overste en zijn raad bijzonder waakzaam zouden zijn. Want enerzijds is de opbouw van het geloof bij de naaste onmogelijk zonder fundament. Anderzijds kan er ook bij onszelf een gevaar bestaan: dat je een taak die op het eerste gezicht niet zo aantrekkelijk is zou afwijzen, zeker als je erg geleerd bent. Terwijl er in feite geen taak zo vruchtbaar is” (§3).

 De vrees van de eerste gezellen was niet ongegrond. Ook nu bestaat soms in de Sociëteit de tendens om dat apostolaat bij de “gewone mens” als minder belangrijk te beschouwen, tenminste voor jezuïeten. Een tweetal argumenten wordt veel gehoord. Een eerste argument hangt samen met de herontdekking van de grote waarde van de persoonlijk begeleide Geeste-lijke Oefeningen en van de achttiende aantekening daarbij. Die aantekening zegt dat men aan wie “een beperkt bevattingsvermogen” heeft niet de hele Oefeningen moet geven, maar enkel die van de eerste Week, of enkele andere “lichtere” oefeningen. Inderdaad, voor wie “een beperkt bevattingsvermogen” heeft zijn de hele Geestelijke Oefeningen niet vruchtbaar. Men helpt die mensen niet om God te vinden en zich door God te laten vinden, door hen met (voor hen) onbegrijpelijke psalmen of teksten uit het Oude of Nieuwe Testament te laten bidden. Maar als die mensen met “lichtere” oefeningen werkelijk de Levende God vinden en zich door Hem laten vinden (wat het doel is van de Geestelijke Oefeningen), dan zijn die lichtere oefeningen even vruchtbaar en even belangrijk als de gehele Geestelijke Oefeningen voor die anderen.

Toch steekt, als men dit aanneemt, meteen een tweede argument de kop op, namelijk: we moeten ons richten naar de agents of change, naar “multiplicatoren”, naar diegenen die een groter of universeler “goed” kunnen bewerken (cf. de Constituties). En dat zijn niet de “gewone” gelovigen, zegt of denkt men dan. Is dat zo? Net zoals in de burgerlijke maatschappij is misschien ook in de gelovige gemeenschap die de kerk is, het zogenaamde middenveld veel belangrijker dan mensen aan de organisatorische of intellectuele top wel eens willen geloven. Als ik even persoonlijk mag worden: zoals Paulus aan de Korintiërs zegt: “Denk aan uw eigen roeping, broeders”, zou ik wel eens aan vele verstandige en rijk begaafde mensen (ook jezuïeten) willen vragen waar ze de basis en het fundament van hun echte roeping hebben gevonden, m.a.w. waar en langs wie bij hen het verlangen gegroeid is zich aan Gods liefde en aan de dienst van de naaste toe te vertrouwen. (Aan de jezuïeten vraag ik dus niet waar hun verlangen is gegroeid om jezuïet te worden, maar wel waar hun verlangen is gegroeid om zich helemaal aan God en de naaste te geven.) Bij velen zal dat bij en langs “gewone gelovigen” gebeurd zijn.

De eerste gezellen, waar ze ook verbleven en welke opdracht ze ook hadden, hebben zich altijd pastoraal geëngageerd bij de “eenvoudigen”, bij de pueri. De grote Canisius is daar met zijn beroemde catechismus een prachtig voorbeeld van. Voor de Sociëteit was dit zo belang-rijk dat het uitdrukkelijk werd en nog altijd wordt vermeld in het gelofteformulier van de professen (naast armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid): “peculiaris cura circa puerorum eruditionem”. Het gaat hier duidelijk over de christelijke vorming van kinderen en eenvoudigen, zoals dat in de Formula werd uitgedrukt. In de Nederlandse vertaling van het gelofteformulier is dit helaas verworden tot “bijzondere zorg voor de opvoeding van de jeugd”, waarbij zowel het woord “opvoeding” als het woord “jeugd” totaal misleidend is.

Altijd heeft de Sociëteit “volksmissionarissen” gekend: Pierre Favre (die volgens Ignatius de beste was in het geven van de Geestelijke Oefeningen, die naar de groten der aarde werd gezonden) trok in de Savoye rond van dorp tot dorp, Jean-François Régis deed hetzelfde in het Centraal Massief en de Cevennen, Pedro Claver bij de slaven van Carthagena, om er maar enkelen te noemen. Bij vele jezuïeten was dit geen fulltime engagement, maar kwam het als vanzelfsprekend bij hun zuiver spiritueel of intellectueel apostolaat. Ik denk hier aan mensen als Alberto Hurtado, maar ook aan iemand als Louis Monden hier bij ons, die naast zijn professoraat en theologisch werk en zijn grote praktijk van geestelijke begeleiding, zovele jaren intens en trouw heeft meegewerkt met de Bonden van het Heilig Hart en met de redactie van Hoogland, en die langs de poortbibliotheek van Heverlee (en haar duizenden strips!) op originele wijze gestalte heeft gegeven aan zijn cura puerorum eruditionis. Had hij dan niets “beters” te doen? Velen hebben die vraag gesteld. Hij vond dat hij inderdaad niets “beters” te doen had. En velen zijn hem daar heel dankbaar voor.

 De Bonden

Kerk & Wereld, de opvolger van de Bonden van het Heilig Hart, wortelt helemaal in deze ignatiaanse traditie van het volksapostolaat. De volledige geschiedenis van de Bonden zal nog moeten geschreven worden, maar het is duidelijk dat ze gegroeid zijn uit de “volksmissies” die de jezuïeten, naast andere religieuzen, in de parochies in Vlaanderen organiseerden. Wat kwam in die volksmissies aan bod? Datgene wat Ignatius in de achttiende aantekening van de Geestelijke Oefeningen aanbeveelt: oefeningen van de eerste Week, de geboden, “tot hij zijn zonden biecht; daarna geeft men hem het gewetensonderzoek en een methode om vaker te biechten dan hij gewoon was, om te bestendigen wat hij verworven heeft”. De oprichting van de Bond van het Heilig Hart zorgde voor deze bestendiging en voor een vruchtbaar biddend en sacramenteel leven van de “gewone” gelovige. En dat door – in de taal van Ignatius – “lichte geestelijke oefeningen”: ’s morgens de dagelijkse opdracht van leven en werk, “voor de aanbevolen intenties van de paus” (verbondenheid met de kerk en de wereld), en het korte gewetensonderzoek ’s avonds. Daarnaast de maandelijkse bondsmis, de viering van de “eerste vrijdag” met biecht en communie, actieve participatie in de toenmalige liturgie met Nederlandse gezangen (Sursum Corda), het bondsblad, en niet te vergeten: het beeld van het Heilig Hart in de huiskamer van tienduizenden gezinnen, het beeld van een liefhebbende, barmhartige Heer die uitnodigde tot het gebed “Maak mijn hart gelijkvormig aan het uwe.”

De Bonden kenden een ongelooflijk “succes”: ze bestonden in elke parochie, ondersteunden het werk van de parochiepriesters, maar vooral: ze bevorderden een heel diepgaand geloofs- en gebedsleven bij vele heel “gewone” gelovigen. Maar ze deden het – kon kon het anders? – in de taal en geloofscultuur van die tijd. De Bonden maakten helemaal deel uit van het toenmalige “rijke roomse leven” in Vlaanderen: triomfalistisch, ultramontaans (de paus!), devotioneel i.p.v. spiritueel (zwart-wit uitgedrukt), de morgenopdracht als “eerherstel” voor de zonden enz. Toen dan ook het Tweede Vaticaans Concilie kwam, hadden de Bonden dit als een grote bevestiging moeten ervaren van wat ze altijd hadden willen bereiken: de kerk als het volk Gods onderweg, de hervorming van de liturgie (volkstaal, actieve participatie) enz. Maar de liturgische hervorming bracht mee dat de speciale vieringen (bv. van de eerste vrijdag) niet meer pasten in de liturgische kalender. De gelovigen werden uitgenodigd tijdens de woorddienst van de eucharistie aandachtig te luisteren naar de Schrift en Gods woord te overwegen. Ook de homilie kreeg een andere functie. Bijbelgroepen allerhande ontstonden. Een nieuwe wind ging waaien. Men sprak van “maaltijd vieren”, “het grote tafelgebed” enz., en dat klonk toch wel anders dan “onbloedig offer”. Elke eucharistieviering werd een “communiemis”. Ook Gaudium et Spes ademde een gans andere sfeer dan wat door “eerherstel voor de zonden” werd opgeroepen. Leken gingen zich steeds meer engageren in de parochies, de bisdommen gaven richtlijnen voor parochieraden en weldra ook parochieploegen e.d., en de samenkomst van de plaatselijke Bond van het Heilig Hart gleed in alle stilte af naar de periferie van het levende parochieleven.

 Vernieuwing

Vernieuwing drong zich op. In 1969 werd het “Secretariaat voor de Bonden van het Heilig Hart”, veranderd in “Secretariaat Heilig Hartbonden – Kerk en Wereld”. Maar het duurde tot de tweede helft van de jaren tachtig voor Kerk & Wereld de enige naam werd. Als motto klonk van dan af: “gebed en inzet, geloof en rechtvaardigheid”.

Maar ook de “gewone mens” was (en is) ondertussen grondig veranderd. Democratisering van het onderwijs, emancipatie van de vrouw, de seksuele revolutie, sterk groeiende welvaart, zelfontplooiing van de mens, tv, reizen, nieuwe technische mogelijkheden, en vanaf de jaren negentig de computer, internet, gsm enz. brachten mee dat “de man en de vrouw in de straat, de gewone gelovige” van veertig jaar geleden niet meer bestonden! Het duurde jaren voor men zich van deze nieuwe situatie goed bewust was (want de mensen van Kerk & Wereld behoorden – en behoren – zelf tot die veranderende tijd), en het duurde nog langer voor men wegen begon te vinden om op die nieuwe situatie in te spelen.

En toch wil Kerk & Wereld dat doen. Helemaal in de traditie van het volksapostolaat van de Sociëteit. Maar dat in een nieuwe, zeer snel verder veranderende tijd. Voor de “gewone” mens van nu. Die gewone mens van nu is een mondige mens, een kritische mens, een mens die dagelijks op tv naar het journaal kijkt, naar soaps, documentaires, talkshows, spelletjes allerhande. Het is een mens voor wie wellness, reizen, schoonheid en jeugd belangrijk zijn, die internet te zijner beschikking en zo alle informatie van de hele wereld binnen handbereik heeft, en dat in zijn eigen woonkamer. Het is een mens die consumeert en zapt. Maar het is ook dikwijls een mens die midden in het consumentisme van zijn omgeving toch op zoek is naar zingeving, naar spiritualiteit, wat hij daar dan ook moge onder verstaan.

De staf van Kerk & Wereld is wel grondig veranderd. Hij bestaat niet meer uit jezuïeten en enkele lekenmedewerkers, maar uit leken en – sinds augustus 2007 – nog één jezuïet als parttime medewerker. Ook de directeur is een leek. Wel zetelen meerdere jezuïeten in de raad van bestuur en behoren ook jezuïeten, naast veel trouwe lekenredactieleden, tot de vaste redactie van onze tijdschriften of schrijven ze voor ons als losse medewerkers. Maar het dagelijkse beleid, de apostolische visie en de concrete uitwerking daarvan liggen bij de staf (het team) van Kerk & Wereld, onder de leiding van de directeur en daarin bijgestaan door de ruime redactie en door de raad van bestuur. Net zoals de Bonden vroeger behoort ook Kerk & Wereld, op zijn eigen wijze, tot het wereldwijde Apostolaat van het Gebed. Het Charter van het Apostolaat van het Gebed geeft de richting aan, maar aangepast aan en hertaald naar de situatie hier in Vlaanderen.

 Drie kanalen

Hoe probeert Kerk & Wereld nu mensen te ondersteunen in hun zoekend geloof? Niet zozeer door te schrijven of te spreken over dat geloof, maar door samen met hen met een gelovige bril naar de wereld te kijken en hen uit te nodigen zich rechtstreeks tot God te richten, zich aan Hem toe te vertrouwen zoals ze zijn, met heel hun hebben en houden, m.a.w. te “bidden, relatie aan te gaan”! Relatie aangaan met een God die “hart” heeft voor mensen, zoals we dat in Jezus hebben gezien. En dat door – in ignatiaanse taal – “lichte” oefeningen: morgengebed (gebed van toewijding “van dag tot dag”), avondgebed (korte terugblik) en apostolisch gebed (bidden voor de grote noden van de kerk en van de wereld). Ook door een gebedshulp in de sterke perioden van het kerkelijk jaar: adventskaartjes, vastenkalender, paas- en pinksterkaart, Bloemen op een graf enz.

We deden dat lange tijd voornamelijk door onze tijdschriften, affiches en (geschreven) uitga-ven. Ons voornaamste “product” op dit vlak was en is het Bezinningsblad: goedkoop, laag-drempelig, korte artikels (nooit langer dan twee bladzijden), geen moeilijke woorden, dicht bij het leven, het “eng plaatselijk leven” en het “te zelfbetrokken bidden” openbrekend door de gebedsintenties van de wereldkerk, concrete getuigenissen (Ik; Uit het leven gegrepen), veel foto’s, visueel aansprekend, niet devotioneel maar spiritueel. We zijn volop aan het zoeken naar een nieuwe naam voor het tijdschrift en naar een nieuwe vormgeving met de bedoeling een ruimer en jonger publiek te bereiken, hoe moeilijk dat in deze tijd ook is. Misschien zullen in dat blad dan ook artikels komen die nu in andere tijdschriften verschijnen en kunnen onze uitgaven daardoor vereenvoudigd worden.

De laatste maanden zijn we veel sterker aanwezig op het internet: www.kerkenwereld.be, www.tijdvoorgod.net, www.bezinningsblad.net. Maar dit is slechts een begin. Sommige sites zijn in volle ontwikkeling. Ze zijn ook alle aan elkaar gelinkt, zodat wie een ervan bezoekt gemakkelijk ons gehele aanbod kan leren kennen. Zo werden bv. de mensen die dit jaar onze adventskaartjes (toch tienduizend stuks) gebruikten, op het kaartje uitgenodigd elke dag een “lichte geestelijke oefening” te doen, en als ze daar dieper wensten op in te gaan, te surfen naar onze website voor een verdere en diepergaande toelichting. In de sterke tijden van het kerkelijk jaar kunnen ze ook telefonisch of langs de website luisteren naar een dagelijks vernieuwde bezinning enz.

Een derde kanaal, naast onze tijdschriften en het internet, bestaat uit onze vormings- en bezin-ningsprogramma’s. Als groepen (parochies, federaties, ouders van vormelingen of van eerstecommuniecantjes, bewegingen e.a.) ons daarom vragen komen we met twee leden van het team ter plaatse en begeleiden een interactieve avond over bv. godsbeelden, gebed, eenzaamheid, een verhaal dat voortleeft (evangelie), geloofsvragen van kinderen. Telkens weer proberen we op zo’n avond mensen te laten stilstaan bij hun eigen leven en bij hun persoonlijk geloof (en ongeloof) door middel van videoprojecties van getuigenissen, interviews, natuurevocaties, verrassende beelden enz., om tenslotte over te gaan tot een echt geloofsgesprek. In 2005-2006, het jaar van het gebed, kwamen we zo op meer dan vijftig plaatsen in Vlaanderen. Zo blijven we ook in voeling met wat er leeft aan de basis.

Tenslotte zijn we zeer onlangs gestart met een jongerenwerking. Maar die staat werkelijk nog in haar kinderschoenen.

Doen we niet hetzelfde als wat de bisdommen en hun goed uitgebouwde diensten doen? Ik meen: voor een deel wel, maar voor een heel groot deel niet! Elk bisdom leeft sterk op zichzelf. Is hiërarchisch opgebouwd. Parochies, federaties en decanaten proberen ervoor te zorgen dat in het pastorale dienstwerk waar de gelovigen recht op hebben, voorzien is. Die pastoraal is vooral sacramenteel: doop, eerste en plechtige communie, vormsel, ziekenzorg, begrafenissen. Met daarnaast een grote zorg voor de weekendliturgie en voor alles wat daarbij komt kijken. Ook gelovige gemeenschapsopbouw hoort daarbij. Een groep die niet diocesaan gebonden is en verankerd zit in het wereldwijde Apostolaat van het Gebed, maar zijn diensten van hulp, ondersteuning en vorming aanbiedt op het gebied van gebed en spiritueel leven voor de gewone (zoekend) gelovige, speelt in op een nood waar de diocesane diensten niet onmiddellijk oog voor hebben.

“Volksapostolaat” is geen gemakkelijk “werk”. Je kunt er niet mee pronken (zoals de Formula reeds besefte), zeker niet in het huidige Vlaanderen waar jonge en vitale mensen nauwelijks te zien zijn in onze kerken. Maar vooral: je moet van de “gewone” mens houden, je moet een goede en doordachte inhoud aanbieden maar op een heel bevattelijke wijze, je moet in staat zijn te vechten tegen de bierkaai, bereid zijn “den boer op” te trekken, in team kunnen werken (je teksten laten verbeteren door anderen, samen een avondprogramma opstellen en geven), en daarin je vreugde vinden. Maar dan is het ook een echte vreugde!

 

Print Friendly, PDF & Email