Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Jezuïeten - Zending Vandaag / Hoe staat een jezuïet tegenover het oud worden?

Hoe staat een jezuïet tegenover het oud worden?

Redactie Cardoner on 03/11/2008 - 2:56 pm in Jezuïeten - Zending Vandaag

door de New York Provincie van de Sociëteit van Jezus

 

In veel jezuïetenprovincies heeft een grote groep medebroeders de middelbare leeftijd bereikt of overschreden. Ouder worden confronteert alle mannen en vrouwen met vragen over de toekomst. Jezuïeten hebben met dezelfde vragen te maken, en met andere die specifiek zijn voor jezuïeten. De provincie van New York stelde in september 2006 het document op dat u hier kunt lezen. Provinciaal Gerald J. Chojnacki schreef er een brief bij, waarin hij oproept tot een biddende onderscheiding en een positieve kijk op de toekomst.

 Eerste deel: Perspectieven

 Jezuïeten gaan niet met pensioen

We horen vaak beweren dat jezuïeten niet met pensioen gaan. Daar zit iets waars in. We zijn altijd op zending. We zijn altijd op zending, zowel wanneer ons werk groot aanzien geniet, zoals het leidinggeven aan een belangrijke instelling, als wanneer het betrekkelijk onopgemerkt blijft, wanneer we bidden voor de kerk en de Sociëteit. In die zin gaan we nooit met pensioen. Maar de meeste mensen hebben het niet over “zending” als ze over “met pensioen gaan” spreken; zij hebben het daarbij over “loopbaan”. Soms halen we deze twee vormen van woordgebruik door elkaar. Het is van belang dat niet te doen.

De reden van deze verwarring is makkelijk aan te wijzen. Vaak krijgen jongvolwassen jezuïeten of jezuïeten van middelbare leeftijd een zending die omschreven kan worden als een baan – een bestuurlijke functie, een functie als raadsman, pastor, maatschappelijk werker, leraar. Maar als men zegt dat jezuïeten niet met pensioen gaan, wil dat nog niet zeggen dat zij niet hun baan opgeven, om de eenvoudige reden dat het hebben van een baan niet hetzelfde is als het zich wijden aan een zending.

Wanneer we te zeer aan een bepaalde baan gehecht zijn, zullen we misschien de mogelijkheden niet zien en aangrijpen om andere talenten tot hun recht te doen komen. Deze kortzichtigheid betekent een verarming voor de afzonderlijke jezuïet en voor de Sociëteit. Willen we creatief reageren op ons oud worden, dan zal dit misschien van ons vragen de baan die we vroeger hadden op te geven en ons te wijden aan vormen van dienst waartoe die baan ons niet stimuleerde of geen mogelijkheid bood. Zo komen we tot de ontdekking dat we onze energie ook kunnen besteden aan een ander soort ondernemingen, die evenzeer in dienst staan van de zending van de Sociëteit als de banen waarvan we meenden dat ze wezenlijk waren voor onze identiteit als jezuïet.

 De uitdaging van het oud worden

Oud worden stelt ons voor veel uitdagingen. Weliswaar hoort verandering zonder meer bij de gewone gang van het leven, maar in onze cultuur is men geneigd zeer negatief te denken over de veranderingen die het oud worden met zich meebrengt. Voor onze cultuur is oud worden puur verlies en heeft geen enkel nut. Als we niet zien dat oud worden de kans biedt om te groeien en ons verder te ontwikkelen, is het moeilijk er positief tegenover te staan. Wanneer we bovendien zien in welke noden moet worden voorzien en hoezeer het aantal slinkt van de onzen die daarvoor beschikbaar zijn, kan dit besef ons in de verleiding brengen te denken dat veranderingen een luxe zijn die we ons niet kunnen permitteren.

Door een dergelijke houding hebben we veel moeite om de veranderingen te aanvaarden die  het oud worden met zich meebrengt, terwijl toch het creatief aanvaarden van die veranderingen een tegen de huidige cultuur ingaand evangelisch getuigenis kan zijn, waaraan onze samenleving zo dringend behoefte heeft. Wanneer wij hetgeen de samenleving beschouwt als een achteruitgang aangrijpen als een gelegenheid voor geestelijke groei, wanneer we weigeren ons te voegen naar de neiging van de samenleving om het actief bezig zijn gelijk te stellen met iets tot stand brengen, en om alleen voor een meetbare prestatie waardering op te brengen, zullen wij onze broeders en zusters juist die dienst bewijzen die zij van ons, ouder wordende mensen, nodig hebben.

Oud worden is voor ons nog op een andere manier een uitdaging: een van de veranderingen die oud worden soms met zich meebrengt, is dat men zich gaat verzetten tegen veranderingen. Wanneer we oud worden kan het ons zeer aanlokkelijk voorkomen dingen te laten zoals ze zijn. Aan deze gedachte toegeven kan ons zeer aantrekkelijk toeschijnen, maar zoiets valt niet te rijmen met ons charisma als jezuïet. Vandaar dat, willen we bespreken hoe een jezuïet zich ten opzichte van het oud worden behoort op te stellen, we wellicht onze gedachten moeten laten gaan over drie ignatiaanse deugden die ons vragen om verandering graag te aanvaarden.

Het onderhouden en beoefenen van deze deugden wordt, naarmate we ouder worden, meer en meer van wezenlijk belang, ook al is het moeilijk.

 Beschikbaarheid

De eerste van deze jezuïetendeugden is beschikbaarheid. In onze eerste vormingsjaren moesten wij vaak verhuizen, hetgeen er sterk toe bijdroeg om beschikbaar te blijven. Nooit langer dan vier jaren woonden we, tijdens de eerste jaren in de Sociëteit, in een bepaalde communauteit of wijdden wij ons aan een bepaald werk. Met als gevolg dat velen onder ons tijdens de eerst tien jaren na hun intrede minstens drie, zo niet vier of vijf plaatsen hun thuis noemden. Toen we vijf tot tien jaar of langer in dezelfde communauteit en met hetzelfde werk bezig waren, waren de meesten van ons reeds goed in de dertig of veertig.

Doordat we tijdens onze vorming zo vaak moesten verhuizen, was het niet moeilijk beschikbaar te zijn, omdat je daardoor niet gemakkelijk aan iets gehecht kon raken.We waren jong  en dat maakte beschikbaar zijn zelfs nog gemakkelijker. We hadden voldoende energie om verder te trekken; we hadden nauwelijks geduld om op dezelfde plaats te blijven. Met oud worden verandert dat allemaal. De meesten van ons merken dat we bij het oud worden in toenemende mate  een hang hebben naar datgene waaraan we gewend zijn en dat ons vertrouwd is, en dat we steeds minder verlangen naar iets nieuws en experimenteels. We raken zeer gehecht niet enkel aan een bepaald werk of een bepaalde plaats, maar ook aan bepaalde vaste gewoonten. Veranderingen zoals de komst van veel gasten, of het veranderen van etenstijden, of wanneer aan de dagorde van de communauteit een wekelijkse eucharistieviering wordt toegevoegd leiden tot ergernis en wrevel. Ingrijpender veranderingen, zoals het verhuizen naar een andere communauteit of het nagaan of er nieuwe mogelijkheden van apostolaat zijn, kunnen eenvoudigweg ondenkbaar lijken.

Onze tijdgenoten die geen religieuzen zijn, zijn vaak gedwongen veranderingen te aanvaarden op een manier die ons niet overkomt. Myles Sheehan, een jezuïet van de provincie New England, arts en gerontoloog, heeft de opmerking gemaakt dat wij  afgeschermd zijn tegen de maatschappelijke en financiële omstandigheden die veel Amerikanen van ver in de zestig, zeventig jaar dwingen hun huis en hun baan uit de tijd dat ze vijftig, begin zestig jaar oud waren, op te geven. Als ze nog actief willen blijven, moeten zij uitzien naar nieuwe werkgelegenheid, en als zij financieel en persoonlijk onafhankelijk willen blijven, moeten zij hun intrek nemen in een kleiner huis of in een aanleunwoning.

De meeste ouder wordende Amerikanen zijn gedwongen een creatieve oplossing te vinden voor de jaren van hun pensioen. Dat overkomt ons niet. Terwijl andere mensen van onze leeftijd op zoek gaan naar een nieuwe baan in vrijwilligers- of deeltijdwerk en naar een nieuwe levensstijl, met inbegrip van het wonen in een verzorgingstehuis, beschouwen wij het als vanzelfsprekend dat we eenvoudigweg zullen blijven wonen en werken in onze huidige communauteit en in hetzelfde apostolaat. Alleen als we niet meer voor onszelf  kunnen zorgen, kunnen we ons gedwongen voelen te verhuizen, en zelfs in een dergelijk geval zijn er onder ons die de noodzaak van een dergelijke verandering, die voor anderen heel duidelijk is, ontkennen. Dit soort van verzet tegen verandering is niet in overeenstemming met onze jezuïetentraditie van beweeglijk en beschikbaar zijn.

 Nederigheid

Nederigheid is de situatie kunnen aanvaarden zoals zij is, doordat men niet ongeordend aan iets gehecht is. Zoals alleen al het feit dat we jong zijn ertoe kan bijdragen dat we beschikbaar zijn, kan het ons ook helpen om nederig te zijn. Als we met wat voor werk ook beginnen, gaan onze verlangens meer uit naar het tot ontwikkeling brengen van dat waaraan het ons ontbreekt, dan naar het koesteren van wat we hebben. We willen grotere vaardigheden verwerven, deskundigen worden. Gaandeweg verandert dit. Misschien worden onze vaardigheden nooit volmaakt, maar we werken eraan. Misschien wordt onze deskundigheid nooit volkomen, maar ze wordt door anderen erkend en men verlaat zich erop. En we leren op onze vaardigheden en deskundigheid te vertrouwen. Langzaamaan zien we onze verlangens niet langer uitgaan naar datgene waarnaar wij op zoek zijn; ze zitten verpakt in wat we bereikt hebben. Zo begint gehechtheid.

Wij raken gehecht aan wat Ignatius onder eervolle zaken zou rangschikken: de leiding hebben, niet een assistent zijn; een volledige betrekking hebben, geen deeltijdbaan; een aanstelling hebben, geen werk verrichten op basis van vrijwilligheid; een salaris ontvangen, geen stipendium. Het eerste van elk van deze alternatieven schijnt status te geven en vastigheid te bieden, het tweede doet dat niet. Wanneer we gewend raken aan status en vastigheid, zullen we het moeilijker gaan vinden om een van de andere alternatieven als een begerenswaardige keuze te beschouwen. We raken erin verzeild, misschien worden we ertoe gedwongen. Maar het is niet iets waarvan we ooit zouden denken dat daarin Gods wil te ontdekken zou zijn. We hebben wellicht de neiging er geen aandacht aan te besteden als teruglopende energie, afnemende veerkracht en zelfs een minder goede verstandhouding met de mensen die we dienen, duidelijke tekenen zijn dat de tijd wellicht nadert voor een verandering. We kunnen zo blind worden dat we buiten de werkelijkheid komen te staan.

Myles Sheehan noteert enige van de kwalijke gevolgen van deze verblinding. Soms blijven we in een communauteit wonen die niet echt voorziet in wat we nodig hebben. Soms blijven we bezig met een of andere vorm van apostolaat, terwijl we steeds minder in staat zijn iets te presteren. We kunnen in een woonsituatie terechtkomen die geen doeltreffende tegenweer biedt tegen eenzaamheid, nietsdoen, lusteloosheid. We kunnen in een werksituatie belanden waarin we het gevoel krijgen niet gewaardeerd, gepasseerd te worden. Het gevolg ervan is neerslachtigheid die leidt tot verbittering, en het samengaan van neerslachtigheid en verbittering is schadelijk voor ons geestelijk en lichamelijk welzijn, onze werkkracht en ons communauteitsleven.

 Vertrouwen

Ignatius had duidelijke bedoelingen toen hij de experimenten voorschreef die onderdeel moesten zijn van de proeftijd tijdens het noviciaat. Een van die bedoelingen was de novice in een situatie te brengen waarin de ontoereikendheid van zijn eigen talenten en vaardigheden zo duidelijk zou worden dat hem geen andere keuze overbleef dan zich niet langer te verlaten op zijn eigen vermogens maar zich over te geven aan vertrouwen in God. Voor velen van ons kan de ervaring dat men oud aan het worden is een grotere opgave zijn om op God te vertrouwen dan welk ander door Ignatius uitgedacht noviciaatsexperiment ook. Willen we op een goede manier oud worden, dan moeten we ons minder verlaten op onze eigen mogelijkheden en vragen om een groter vertrouwen op God.

Ignatius vraagt van ons niet alleen op God te vertrouwen, maar hij vraagt ook dat wij dit vertrouwen concreet zullen maken in bij uitstek menselijke relaties. Ignatius was ervan overtuigd dat het lichaam van de Sociëteit alleen in stand gehouden kon worden door middel van gehoorzaamheid; dit betekent dat Ignatius geloofde dat de Sociëteit alleen door banden van onderling vertrouwen zou kunnen standhouden. Zoals altijd bij handelingen waar vertrouwen in het spel is, kan gehoorzaamheid alleen beoefend worden in een klimaat van heldere communicatie. Een geestelijk gesprek aangaan met onze medebroeders, geestelijke begeleiding zoeken bij een vertrouwde compagnon en leidsman, oprecht onze verlangens en angsten meedelen aan onze plaatselijke en provinciale oversten wanneer we rekenschap van geweten afleggen: dat alles zijn daden van vertrouwen. Opgejaagd door de eisen van ons werk vergeten we soms onze toevlucht te nemen tot deze vormen van communicatie. Misschien vergeten we zelfs hoe we eraan moeten beginnen. We zijn daardoor minder goed in staat tot het schenken van vertrouwen. Wil men van het oud worden een genadevolle tijd maken, dan is het noodzakelijk deze vormen van communicatie in ere te herstellen.

Van al deze vormen van communicatie wordt wellicht de geestelijke begeleiding het gemakkelijkst verwaarloosd. Niettemin is alleen bidden van nóg wezenlijker betekenis, om ons te helpen een houding te bewaren van constant vertrouwen in God en van onderscheiding omtrent hetgeen er in ons omgaat. Naarmate we beter beseffen welke gaven God ons schenkt, groeit ook ons vertrouwen. Oprecht onderscheiden kan alleen gebeuren door na te denken over ons antwoord op Gods gaven zoals die zich openbaren. Geestelijke begeleiding stimuleert ons te letten op de wisselwerking tussen de gave en ons antwoord daarop. Vandaar dat geestelijke begeleiding een sleutelrol speelt om te groeien in vertrouwen en om beter te kunnen onderscheiden.

  Tweede deel: Wat  in de praktijk van ons gevraagd wordt

Dit deel wordt grofweg verdeeld in periodes van tien jaar van ons leven; vandaar dat de onderdelen elkaar overlappen. Er zullen persoonlijke verschillen zijn, maar laat niemand denken dat hij niet hoeft mee te doen met het onderscheidingsproces dat in de verschillende delen geschetst wordt. Wanneer we vijfenzeventig zijn, zullen sommigen van ons nog altijd bezig zijn met hetzelfde werk als toen we vijfenvijftig waren, en misschien nog zeer goed functioneren. Maar er is iets mis als dat gebeurt zonder dat we ons, in een eerlijk zelfonderzoek en door gesprekken met vrienden, collega’s en oversten, willen bezinnen op de vraag of het ook wel raadzaam is zo door te gaan.

 Wat ons als vijftig- en zestigjarigen te doen staat

In de jaren dat wij vijftig, zestig jaar oud zijn is onze voornaamste taak plannen te maken en te experimenteren. Deze jaren van ons leven zijn gewoonlijk een tijd te waarin we geheel in beslag genomen worden door de eisen van het ogenblik; vandaar dat we gemakkelijk het uitstippelen van de toekomst en het beproeven van apostolische opties minder belangrijk zullen vinden. Vrijheid is een genade, en in deze periode van ons leven moeten we om die genade vragen en beginnen uit te zien naar andere mogelijkheden.

Allereerst moet er een aantal vragen gesteld worden. Wat zien we gelukkige en werkzame jezuïeten van zeventig, tachtig jaar doen? Hoe zien wij hen een evenwicht aanbrengen tussen werk en vrije tijd, om hun krachten zo doeltreffend mogelijk te benutten? Wat denken we dat wijzelf zullen doen als we zeventig, tachtig jaar oud zullen zijn? Hebben we talenten en interessen die we vanwege ons werk hebben laten rusten? Zou de toekomst ons kansen bieden om er iets mee te doen? Hoe zien we onszelf een evenwicht aanbrengen tussen werk en vrije tijd om onze krachten zo goed mogelijk te benutten?

In alle vormen van ons apostolaat zijn er mogelijkheden om te kiezen voor vrijwilligers- of deeltijdwerk. Op al onze middenscholen, secundaire scholen en colleges zijn er zwakke leerlingen die geholpen moeten worden. Onze parochies steunen programma’s voor hulpverlening, voor geestelijke vorming en vernieuwing, die baat zouden hebben bij wat extra kader. Onze retraitehuizen steunen niet alleen op vrijwilligershulp op allerlei gebied, maar bieden ook de mogelijkheid tot opleiding in het geven van retraites en geestelijke begeleiding, waarmee wellicht nieuwe mogelijkheden voor ons opengaan. Door sommige vrijwilligersorganisaties te steunen en met andere samen te werken bieden onze instituten voor hoger onderwijs hun studenten de gelegenheid zich nuttig te maken. Wellicht zijn er jezuïeten die zelf het dankbaar werk vinden om met de vrijwilligersorganisaties mee te doen. De mogelijkheden zijn niet beperkt tot onze eigen instituten of tot het netwerk van genoemde organisaties; we hoeven alleen maar wat creatief te zijn en over wat verbeeldingskracht te beschikken om ze op het spoor te komen.

Hebben we zo enige ideeën gekregen voor de toekomst en die met oversten en vrienden besproken, dan moeten we wellicht enkele proeven nemen. Hebben we misschien een voor apostolisch werk nuttige talenkennis ongebruikt gelaten, dan kan nu het moment daar zijn om deze weer op te frissen. Als we sinds onze derde jaar niet meer in een parochie of ziekenhuis hebben gewerkt, dan is het misschien nu tijd om ons een deel van de zomer daarmee bezig te houden. Hebben we ontwikkelingen in de theologie en in de pastorale praktijk niet bijgehouden, dan kan het nu tijd zijn om ons daarin te verdiepen en onze achterstand in te halen.

Bijzonder belangrijk is om nu aan zeventig- en tachtigjarigen die succesvol tot ander apostolisch werk zijn gekomen, te vragen hoe zij dat hebben klaargespeeld. Hun ervaring kan voor ons bij het plannen maken van onschatbare waarde zijn. En dit is het moment om aan oversten, collega’s en vrienden te vragen welke mogelijkheden zij voor ons in de toekomst zien, en hoe wij ons op die mogelijkheden zouden kunnen voorbereiden. Omdat zij ons kennen en zorg voor ons hebben, zullen oversten, collega’s en vrienden ons goed op pad kunnen helpen.

 Wat ons als zestig- en zeventigjarigen te doen staat

Het voornaamste dat ons als zestig- en zeventigjarigen te doen staat is ons functioneren beoordelen en er een conclusie aan verbinden. Eigenlijk zouden jezuïeten altijd al moeten nagaan in hoeverre hun apostolisch werk vruchtbaar is. Maar wanneer we vijfenzestig zijn geworden, zal het nog dringender noodzakelijk zijn dat wij in ons jaarlijks gesprek met onze overste, met de directeur van het werk waaraan wij verbonden zijn en met collega’s die ons vertrouwen hebben, nagaan in hoeverre wij in ons apostolisch werk goed functioneren.

In de meeste gevallen is het geven van een beoordeling voor de beoordelaar niet minder moeilijk dan voor de beoordeelde zelf. Soms zijn de signalen van oversten en coördinatoren zo versluierd dat ze niet tot ons doordringen. Ofwel besteden we geen aandacht aan signalen die in de ogen van ieder ander heel duidelijk zijn. In beide gevallen voelen we ons overvallen als we te horen krijgen dat er een onverbiddelijk eindpunt is bereikt en een verandering nodig is , en wel onmiddellijk. Dat is voor niemand bevredigend, en pijnlijk voor iedereen. We kunnen problemen vermijden als we zelf actief deelnemen aan het proces waarin de beoordeling tot stand komt. Een manier daartoe zijn de jaarlijkse gesprekken.

Wanneer we de tijd nemen om ons werk kritisch te bekijken, kan dit ons helpen bij het uitvoeren van ons voornemen om op een andere wijze dan we tot nu toe gewend waren ons voor het apostolaat in te zetten. Soms zal dat plan met zich meebrengen dat we ons aan iets nieuws gaan wijden; soms dat we van een volledige dagtaak in een ons vertrouwde vorm van apostolaat overgaan op deeltijdwerk; soms een omschakeling naar vrijwilligerswerk waarin we werkelijk veel kunnen betekenen. Wanneer we de tijd nemen voor een dergelijke kritische beoordeling, krijgen we de mogelijkheid systeem aan te brengen in ons plan en daarna dienovereenkomstig te werk te gaan

 Wat ons te doen staat wanneer we zeventig jaar oud zijn en daarboven

Wanneer we omstreeks zeventig jaar en ouder zijn, is onze belangrijkste opdracht goed in de gaten te houden hoe het er met ons voor staat, zodat we geleidelijk verdere veranderingen die misschien nodig zijn, kunnen aanbrengen. Tegen de tijd dat we voorbij de vijfenzeventig zijn, valt te verwachten dat we bezig zijn met deeltijd- of vrijwilligerswerk. Als we tegen de  tachtig lopen, moeten wij met de hulp van onze oversten, collega’s en vrienden nagaan of de nieuwe regelingen van ons werk nog steeds voor ons heilzaam zijn en nuttig voor de mensen voor wie we het doen.

In deze periode van ons leven moet er meer aandacht besteed worden aan onze leefsituatie dan aan onze betrokkenheid bij het werk. Veel van onze communauteiten zijn niet zo ingericht dat zij kunnen voldoen aan de gewettigde verwachtingen en behoeften van jezuïeten die niet meer goed ter been zijn of niet meer zo goed gezond zijn als vroeger. Niemands belangen zijn ermee gediend als we blijven wonen in een communauteit die goed zorgt voor anderen, maar aan ons zo weinig zorg besteedt dat onze gezondheid in gevaar komt. Ook hier dient men het initiatief in handen te nemen. Als dat al niet gebeurd is toen we in de zeventig waren zou, wanneer we tegen de tachtig lopen, de vraag of onze leefsituatie aangepast is aan onze behoeften het voornaamste onderwerp moeten zijn van het jaarlijkse gesprek met onze overste.

 Derde deel: Kansen en betrokkenheid

Dankbaarheid is de bron van alle genaden, en als wij aanvaarden dat we oud worden, leidt dit  tot dankbaarheid. De eerste stap is dat we aanvaarden niet meer tot hetzelfde in staat te zijn als toen we jonger waren. Dit kan ons dankbaar maken voor wat de Heer ons heeft laten doen.

De tweede stap is dat we aanvaarden dat de Heer niet langer van ons vraagt te doen wat we deden toen we jonger waren. Deze tweede stap kan ons dankbaar maken voor de mogelijkheden die het oud worden met zich meebrengt: de mogelijkheid om verborgen talenten te benutten, de mogelijkheid om nieuwe verlangens te koesteren en de mogelijkheid van groter bezonkenheid en innerlijke vrede .

Onze provincie heeft een Verklaring over doel en beleid voor sabbatsperioden opgesteld. Deze verklaring wilde iedere jezuïet in de provincie ertoe aanzetten zich te bezinnen over zijn functioneren in zijn apostolisch werk en, ongeacht de levensfase waarin hij verkeert, uit te zien naar manieren om nog effectiever te werk te gaan. Het vaststellen van een sabbatical-beleid is maar een van de elementen in het streven van de provincie om al haar leden te helpen de Heer naar best vermogen te dienen. Voor jezuïeten die plannen maken voor hun leven later kan het nuttig zijn te profiteren van de mogelijkheden die dit beleid biedt.

Wil de provincie zich naar best vermogen inzetten voor de dienst van de Heer, dan moet zij er ook naar streven ieder lid te helpen omgaan met de uitdagingen die het oud worden met zich meebrengt. Maar het is eenvoudigweg niet mogelijk een beleid te ontwikkelen dat voor iedere jezuïet apart geldt. Wij kunnen geen strenge en onwrikbare regels opstellen om te bepalen op welk moment een jezuïet van een volle baan op deeltijdwerk moet overgaan, of van beroeps- naar vrijwilligerswerk, of wanneer een jezuïet een baan moet opgeven, of naar een andere communauteit moet gaan. Dat zijn zaken die iedere jezuïet moet regelen met zijn plaatselijke en provinciale oversten.

In dit document staat geen beleid, maar in plaats daarvan richtlijnen voor de vraag hoe om te gaan met de uitdagingen waarmee het oud worden ons confronteert, en hoe de taken op ons te nemen waartoe die uitdagingen ons uitnodigen. Laten we voor elkaar bidden om de genade deze uitdagingen en taken moedig en op creatieve wijze onder ogen te zien.

Vertaling: Felix van Voorst tot Voorst S.J.

Print Friendly, PDF & Email