Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Jezuïeten - Geschiedenis van de Orde / Uitmunten in gehoorzaamheid. Enkele teksten van Ignatius

Uitmunten in gehoorzaamheid. Enkele teksten van Ignatius

Redactie Cardoner on 05/02/2013 - 7:13 am in Jezuïeten - Geschiedenis van de Orde

door Mark Rotsaert S.J.

 Uit de Constituties van de Sociëteit van Jezus en de brieven van Ignatius komt een opvatting over de gehoorzaamheid naar voren die veel complexer en veel ruimer is dan de karikatuur die men er soms van heeft gemaakt.

 Dat andere religieuzen ons overtreffen in vasten en allerlei gestrengheden, tot daar, maar in de gehoorzaamheid moeten wij uitblinken, aldus Ignatius in een brief van 1553 aan de jezuïeten van Portugal. Deze brief werd lange tijd beschouwd als de beste verwoording van Ignatius’ opvatting over de gehoorzaamheid. Een bevel uitvoeren is nog geen gehoorzaamheid, vindt hij. Bij religieuze gehoorzaamheid hoort wezenlijk de gelijkvormigheid van je verstand en van je wil met die van de overste. Dus blind is die gehoorzaamheid ook niet. Ze veronderstelt wel dat je geleerd hebt niet altijd je eigen wil te doen of je eigen inzichten te volgen. Die brief, waarin veel over zelfverloochening wordt gesproken, versterkte nog het beeld van Ignatius als “de militair” – die hij nooit is geweest – en het beeld van de Sociëteit als “het leger van de paus” – wat ze nooit is geweest.

 Apostolische gehoorzaamheid

In de Constituties van de Sociëteit van Jezus blijkt de gehoorzaamheid veel complexer en veel ruimer te zijn dan de karikatuur die men er soms van heeft gemaakt. Het derde deel van de Constituties handelt over de vorming van hen die tot de orde zijn toegelaten. Het accent ligt hier duidelijk op de ascetische dimensie van de gehoorzaamheid. Zelfverloochening staat er centraal: niet jezelf vooropstellen, maar de ander hoger achten dan jezelf. Het is een oefening van elke dag. Maar er is ook een diepere dimensie aanwezig: je gehoorzaamt niet om de overste een plezier te doen, je gehoorzaamt aan de overste omwille van diegene om wie je gehoorzaamt, Christus de Heer, aan wie je je hele leven hebt gegeven. De ascetische en de spirituele dimensie worden in de Constituties, maar ook in de brieven van Ignatius, steeds samen vermeld. De vorming in de ascetische en spirituele gehoorzaamheid is echter geen doel op zich noch een oefening in heiligheid. Het is een voorbereiding op en een voorwaarde tot een apostolische gehoorzaamheid, waarover het zevende deel van de Constituties handelt. De vorming moet de jezuïet vrij maken om gezonden te worden waar de nood het grootst is. De zending staat centraal in het leven van de jezuïet. Daar ligt de oorspronkelijkheid van de nieuwe orde die Ignatius, samen met een groep vrienden, stichtte.

De praktijk van Ignatius is verhelderend. Wanneer hij wist of aanvoelde dat een medebroeder inderdaad innerlijk vrij was, gaf hij hem graag carte blanche. Dan mocht hij zelf kiezen. Ignatius was daarin zeer breed. Proefde hij echter dat een medebroeder zijn eigen wil wilde doorzetten of zijn eigen glorie zocht in plaats van de grotere eer van God, dan kon hij streng zijn. Maar dat was hij liever niet. En hoe precies hij ook kon zijn, het is duidelijk – zowel in de Constituties als in de brieven – dat constituties en regels er nooit zijn om zichzelf, en dus nooit sec, als zodanig moeten worden gevolgd. Regelmatig herhaalt hij dat je je vooral moet laten leiden door de discreta caritas, door de liefde die weet te onderscheiden. In een lange instructie van 1555 aan pater Nuñes Barreto en de groep jezuïeten die naar Ethiopië worden gezonden, beschrijft Ignatius tien bladzijden lang hoe ze te werk moeten gaan om het land en zijn bevolking terug met de kerk van Rome te verbinden: eerst de koning bezoeken en hem tot vriend maken en daarna andere verantwoordelijken in het land; maar hij zegt ook welke geschenken ze moeten meenemen en voor wie, hoe ze catechese moeten geven en scholen openen, hoe allerlei uitwassen bij de bevolking uitroeien, de liturgie vieren, zich kleden, enz. De laatste alinea van die lange instructie wekt dan enige verwondering. Ze begint als volgt: “Dit alles geef ik u mee als advies, maar als u ter plaatse oordeelt dat u beter anders te werk gaat, laat u dan leiden door de discreta caritas en door de zalving van de heilige Geest.” In het zesde deel van de Constituties, over het persoonlijk leven van de gevormde jezuïet, zegt Ignatius dat hij voor de gevormde jezuïet niets voorschrijft wat gebed, vasten en andere gestrengheden betreft. Hij moet tijdens de vorming zo goed gevormd zijn, dat hij in staat is zich te laten leiden door de discreta caritas. Geen regels, maar een liefde die weet te onderscheiden. Regels en wetten moeten trouwens, volgens de Constituties, altijd weer worden toegepast rekening houdend met personen, plaats en tijd.

 Brief over de gehoorzaamheid

Ignatius heeft verschillende brieven geschreven over de gehoorzaamheid. Blijkbaar merkte hij gaandeweg dat het tijdens de vorming gelegde ascetische fundament toch niet bij iedereen zo stevig was als hij had gehoopt en voorgeschreven. De “beruchte” brief van 1553 aan de jezuïeten van Portugal is in zekere zin het meest uitgewerkte document over de ascetische en spirituele dimensies van de gehoorzaamheid. Maar de historische context van de brief is niet onbelangrijk om hem goed te verstaan. Met die brief wilde Ignatius een einde maken aan een van de ernstigste crisissen van de jonge Sociëteit. De nieuwe provinciaal van Portugal, pater Miró, bracht verdeeldheid in zijn provincie tussen voor- en tegenstanders van de vorige provinciaal, pater Rodrigues, een van de eerste gezellen van Ignatius. Er is duidelijk een gezagsprobleem, en de spanning bestaat niet alleen tussen de nieuwe en de oude provinciaal, maar ook tussen de provinciaal en de generale overste. Ignatius hoopt met deze brief de eenheid onder de Portugese jezuïeten te herstellen.

Maar er is meer. Die beruchte brief over de gehoorzaamheid is niet door Ignatius geschreven, maar door zijn secretaris, Juan de Polanco – weliswaar in opdracht van Ignatius. Polanco was meer dan alleen maar de rechterhand van Ignatius. Hij verstond als geen ander wat Ignatius bedoelde en kon zich zonder veel moeite in de gedachtegang van zijn meester inleven. Om het opstellen van de Constituties voor te bereiden, had Polanco de Constituties van de franciscanen en van de dominicanen en de Regel van Benedictus bestudeerd, en ook verschillende teksten van en over de woestijnvaders, de grondleggers van het religieuze leven. Alleen al de vele citaten over gehoorzaamheid uit de wordingsgeschiedenis van het religieuze leven in de brief van 1553 verraden de inbreng van Polanco, maar ook de stijl is die van Ignatius’ secretaris. Ignatius heeft de brief niet alleen ondertekend, hij heeft er ook zelf preciseringen in aangebracht. De talrijke citaten moeten aantonen hoezeer Ignatius zich invoegt in de traditie van de kerk over het belang van de gehoorzaamheid in het religieuze leven. De kandidaten die in de Sociëteit aanvaard zijn moeten in die gehoorzaamheid geoefend worden, steeds opnieuw. Maar dit is misschien niet het meest oorspronkelijke aspect van Ignatius’ visie en praktijk. Trouwens, in deze lange brief van dertig paragrafen is er een kleine paragraaf waarin Ignatius eraan herinnert dat een medebroeder die een andere mening zou hebben dan zijn overste, na gebed en reflectie de zaak opnieuw bij de overste ter sprake mag brengen. Hij moet dan wel “onverschillig” zijn en blijk geven van onthechting aan zijn eigen voorkeur.

 Representatio

Over deze representatio schrijft Ignatius in nog meer brieven. Pater Doménech, provinciaal van Sicilië, beklaagt zich bij Ignatius over de kwaliteit van de jezuïeten die naar Sicilië worden gezonden. In een brief uit 1554 verwijten Ignatius en Polanco hem dat hij door zijn negatieve kritiek zich enigszins buiten de gehoorzaamheid plaatst. Vervolgens verdedigt Ignatius met concrete voorbeelden dat Sicilië in vergelijking met andere delen van Italië er nog niet zo slecht aan toe is. Toch vraagt hij Doménech te blijven schrijven wat hij denkt, ook over de jezuïeten die hem gestuurd worden, en voorstellen te formuleren in een geest van “onverschilligheid”. Maar hij wil in geen geval dat de provinciaal zijn kritiek publiek maakt in zijn provincie, want zo ondermijn je het gezag.

Bij een brief van 1555 aan pater Araoz, provinciaal van Spanje, voegt Polanco een bijlage met vijftien punten over de wijze waarop men bepaalde zaken met de overste moet bespreken. Ignatius verwacht dat een jezuïet – na rijp beraad – initiatieven neemt en voorstellen formuleert aan de overste, en dat hij dat doet in een geest van “onverschilligheid” en nederigheid. De overste, aan wie het toekomt over de zaak te beslissen, zal erover nadenken, eventueel zal hij er met anderen over spreken, en dan zal hij de zaak in gebed aan de Heer voorleggen. Tenslotte zal hij zijn beslissing meedelen. Indien degene die het voorstel geformuleerd heeft van oordeel is dat de beslissing niet bijdraagt tot het goede doel, of wanneer hij nieuwe argumenten heeft voor zijn voorstel, moet hij opnieuw in gesprek treden met de overste, die op zijn beurt de zaak opnieuw zal overwegen en onderscheiden wat beter is. Zo kan een jezuïet tot twee- of driemaal toe een representatio aan de overste voorleggen, maar steeds in een bescheiden innerlijke houding. De overste en zijn medebroeder zoeken samen naar wat de Geest hen ingeeft te doen. Zonder wederzijds vertrouwen is er geen religieuze gehoorzaamheid mogelijk. Bovendien horen initiatief en dialoog bij de gehoorzaamheid zoals Ignatius die beleefd wilde zien.

Het achtste deel van de Constituties handelt over wat bijdraagt tot de eenheid met de overste en met elkaar. Misschien is hier het meest eigene van Ignatius’ opvatting te vinden. In het eerste hoofdstuk wordt de gehoorzaamheid gezien als de band die het geheel van de orde samenhoudt. Zo hadden Ignatius en de groep vrienden rond hem na een lange gemeenschappelijke onderscheiding in 1539 beslist: de gehoorzaamheid aan een van hen zou de band zijn die hen – verspreid over de toenmalige bekende wereld – zou samenhouden. In dat eerste hoofdstuk creëert Ignatius een nieuwe functie, die van collateralis – iemand die je ter zijde staat. Wanneer bijvoorbeeld iemand met weinig ervaring tot overste wordt benoemd, kan men hem een collateralis toevoegen, die hem geen gehoorzaamheid verschuldigd is. De collateralis moet de eenheid tussen de medebroeders onderling en met hun overste bevorderen, hij moet als een “vredesengel” een broederlijke sfeer in stand houden. De overste van zijn kant moet de collateralis een bijzondere waardering en liefde toedragen en vertrouwelijk met hem omgaan, zodat hij het hem vergemakkelijkt zijn taak naar behoren te volbrengen. Met andere woorden: om iemand te helpen in zijn functie, geef hem een vriend! De gehoorzaamheid als vriendschap. Ook al is de functie van collateralis niet vaak in praktijk gebracht, ze zegt wel iets over de creativiteit van Ignatius bij het zoeken naar wegen om samen gehoor te geven aan de Geest.

 Kadavergehoorzaamheid?

Een bekende tekst uit de Constituties kan hier niet onvermeld blijven. Het zesde deel van de Constituties handelt over het persoonlijk leven van de gevormde jezuïet. Daar lees je:

 “Laten allen ervan overtuigd zijn dat wie onder gehoorzaamheid leeft zich door de goddelijke Voorzienigheid door middel van de oversten moet laten leiden en besturen als was hij een dood lichaam dat zich overal heen laat dragen en op onverschillig welke wijze laat behandelen, of als de staf die zich in de hand van een oude man laat gebruiken waar en waartoe deze maar wil.” (547)

 Ignatius put hier uit de voorbereidende notities van Polanco, die zoals reeds vermeld, citaten bij elkaar had gezet over verschillende aspecten van het religieuze leven vanaf de woestijnvaders. Het beeld van een “dood lichaam” komt voor in het Leven van Franciscus van Assisi door Thomas van Celano; het is reeds bij de woestijnvaders uit de vijfde eeuw te vinden. Het beeld van “de staf in de hand van een oude man” zou uit de Regel van Basilius kunnen komen. Met andere woorden, het zijn geen beelden van Ignatius, maar beelden die hij aan de geschiedenis van het religieuze leven ontleent om de ascetische dimensie van de gehoorzaamheid plastisch uit te drukken. Hoezeer Ignatius in sommige teksten ook de nadruk legt op de ascetische en spirituele dimensie van de religieuze gehoorzaamheid, andere teksten laten zien dat zijn opvatting over een apostolische gehoorzaamheid veel rijker, veel complexer en veel creatiever is.

Print Friendly, PDF & Email