Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Jezuïeten - Geschiedenis van de Orde / Pierre Favre: “Je kunt overal goeddoen”.

Pierre Favre: “Je kunt overal goeddoen”.

Redactie Cardoner on 18/08/2014 - 7:06 pm in Jezuïeten - Geschiedenis van de Orde

door Edel McClean. 

Op 17 december 2013 werd de jezuïet Pierre Favre, een van Ignatius’ eerste gezellen, heilig verklaard. 

Als je door de prachtige jezuïetenkerken van Rome loopt, zie je overal de grote ignatiaanse figuren: Ignatius die omhoog staart, het boekje van de Geestelijke Oefeningen tegen zijn borst geklemd; Franciscus Xaverius met zijn kruisbeeld in de hoogte; Robertus Bellarminus; Franciscus Borgia… het is bijna een “wie is wie” uit de geschiedenis van de Sociëteit van Jezus – met één opvallende afwezige. De drie eerste gezellen waren Ignatius, Xaverius en… Pierre Favre. Favre was jarenlang de tweede in rang na Ignatius, de eerste die tot priester gewijd werd, een man die men vurig bewonderde in het Europa van de zestiende eeuw. Jarenlang deelden deze drie in Parijs hun woonruimte, de kosten van hun levensonderhoud en een gemeenschappelijk doel, maar terwijl Ignatius en Xaverius heilig verklaard werden, bleef Favre “slechts” zalig.

Het is moeilijk om een afbeelding van Favre te vinden en de voorstellingen die er zijn stellen hem gewoonlijk voor als donker, klein en streng, terwijl hij in feite blond, groot en vriendelijk was. Zelfs in zijn geboortestreek Savoie heeft de kapel die in zijn geboortehuis is ingericht – hoewel netjes en drukbezocht – toch iets van voorbije dagen. De winkel bij de kerk in Le Grand-Bornand heeft geen bidprentjes meer met zijn portret en als je in Annecy vraagt naar Favre’s standbeeld, dat verborgen staat op het landgoed l’Evêché, is het waarschijnlijk dat je verwezen wordt naar de kathedraal van Franciscus van Sales.

Favre werd geboren in 1506 in de parochie van Saint-Jean-de-Sixt in Savoie. Zijn familie was er een van boeren die konden rondkomen, maar die ook stevig moesten aanpakken op het land aan de voet van de Alpen. Pierre was de oudste van drie jongens en verstandig. Hij was bestemd voor een leven als boer, maar hij verlangde zo naar kennis dat zijn ouders toegaven en hem eerst naar school lieten gaan in het nabije Thônes, later verder weg in La Roche. Hij stond met één been in de wereld van de wetenschap, had goede familiebanden met de plaatselijke kartuizers met hun uitstekende bibliotheek en kende bovendien de zeer gerespecteerd geleerde Pierre Veillard. Maar zijn studies waren geen excuus voor zijn zomerse verplichtingen en tot hij op zijn negentiende naar Parijs vertrok, was hij elke zomer te vinden in de alpenweiden om de kudden van zijn familie te hoeden. Hij leerde om te waken, te verdragen en vol te houden, te overleven en de bergen te respecteren. Het leven van een goede herder in de letterlijke zin werd zijn tweede natuur, want elk dier in de kudde was van groot belang voor het levensonderhoud van zijn familie. Later zou hij ongetwijfeld, beter dan zijn adellijke vrienden, de parabels van Jezus over het landleven begrijpen, omdat hij die zelf beleefd had vanaf zijn geboorte. Zijn natuurlijke gave om met de mensen die hij op zijn weg vond om te gaan, weerspiegelt zijn vroegere leven waarin hij nauw verbonden was geweest met het land en de mensen, méér dan zijn gezellen. Wanneer hij zijn afkomst mooier zou hebben afgeschilderd dan ze was, dan zou hij, naar een Iers gezegde, “uit de vorm gesprongen zijn waarin hij gebakken was”.

 De rondtrekkende apostel

In 1525 verliet Favre Savoie om te gaan studeren aan de universiteit van Parijs en nam hij zijn intrek in het Collège Sainte-Barbe. Hij blonk uit in alle opzichten – hij was een begaafd student – maar innerlijk was hij heel onzeker. Hij was een vrome jongen, die zich constant bewust was van zijn zondigheid, besluiteloosheid en angst om God tekort te doen. Het was Ignatius die hem uit dit donkere dal omhoog zou trekken. Hoewel vijftien jaar jonger, was Favre Ignatius ver voor in de studie en hielp hij de Spanjaard met grote edelmoedigheid. Op zijn beurt bood Ignatius hem hulp om zijn angsten te boven te komen, maar hij liet hem wel vier jaar wachten met het doen van de Geestelijke Oefeningen. Jaren later herinnerde Favre zich:

 …hij gaf mij inzicht in mijn geweten en in de beproevingen en scrupules die ik al zo lang had zonder ze te begrijpen of te zien hoe ik vrede zou kunnen vinden. (Memoriale, § 9)

 Ignatius redde Favre, maar je kunt tegelijk zeggen dat Favre hetzelfde deed voor Ignatius – die waarschijnlijk nooit sommige van de beproevingen van het leven in een college doorgekomen zou zijn zonder Favre met zijn solide, rustige en overtuigende manier van denken.

Parijs heeft Favre gevormd. Hij ontmoette er Ignatius, Xaverius en anderen die hun groep kwamen versterken. Hij deed er zijn grote retraite, hij versterkte zijn vriendschap met de kartuizers van zijn jeugd, hij leerde er de onderscheiding der geesten, werd priester gewijd, kreeg les in de humanistische theologie en besloot er een nieuw leven te gaan leiden in de beginnende Sociëteit van Jezus. In Parijs maakte hij tevens kennis met wat later het kruis van zijn leven zou worden: hij kwam voor het eerst in aanraking met wat hij zou noemen “de ketters van deze tijd”. De uitspraken van Luther en zijn tijdgenoten zullen wel ter sprake zijn gekomen in de collegezalen en in de kamers van de universiteit waar Favre zich bezighield met eclectische theologische studies, maar ze waren ook een ernstige crisis die uitliep tot in de straten van Parijs. De student Favre zal verplicht zijn geweest om de terechtstelling van ketters, waarvan sommigen niet ouder waren dan veertien, bij te wonen. Zo’n hardheid zal de ziel van de gevoelige herder zeker diep geraakt hebben en jaren later, zich ten volle bewust van de uitdagingen van de hervormers, zou hij pleiten voor vriendschap in plaats van oordeel:

 Wie ook maar te maken krijgt met de ketters van deze tijd moet allereerst grote naastenliefde voor hen voelen, hen werkelijk beminnen en alle afwegingen uit zijn ziel verbannen die zijn eerbied voor hen zouden kunnen verflauwen. Wij moeten hun goede wil zien te winnen, zodat zij ons liefhebben en ons een goede plaats in hun hart geven. Dit kan bereikt worden door met hen te spreken over zaken die wij gemeen hebben, en elke discussie te vermijden waarin de een probeert de ander eronder te krijgen. Wij moeten gemeenschap tot stand brengen door te wijzen op wat ons verenigt, voordat wij overgaan tot het bespreken van wat ons van elkaar scheidt. (Aan Diego Laínez, over de omgang met ketters)

 Elf jaar later, in 1536, verliet Favre Parijs om langzaamaan naar Rome te gaan via Venetië. In de volgende drie jaar hielden hij en verschillende leden van een groeiende groep zich bezig met uiteenlopende pastorale activiteiten; dit hield voor Favre ook onderwijs in de theologie en de Heilige Schrift in. In 1539 verzocht paus Paulus III dat Favre naar Palma gezonden zou worden. Zo begon zijn zwervend apostolisch bestaan, waarin hij naar verschillende streken van Europa gezonden werd, overal waar een grote apostolische nood bestond. Zijn reizen brachten hem in Spanje, Portugal, Duitsland, België, Frankrijk, Zwitserland en in de smeltkroes van het Europa van de Reformatie. Men schat dat hij in vogelvlucht 7.000 mijl gelopen heeft, maar omdat hij te voet ging en fysieke zowel als politieke grenzen het reizen bemoeilijkten, zal het in werkelijkheid eerder in de buurt van 14.000 mijl geweest zijn. Hij keerde pas in 1546 terug in Rome en bij zijn dierbare Ignatius en stierf daar slechts twee weken na aankomst.

Wat Favre ons nalaat is vooral zijn Memoriale, een dagboek dat hij bijhield in de laatste vier jaar van zijn leven. In tegenstelling tot Ignatius had hij daarbij geen lezers in gedachten en als hij niet zo snel was gestorven, zou hij het ongetwijfeld hebben vernietigd. De tekst zoals die is werd pas drie eeuwen na zijn dood gepubliceerd, waarschijnlijk om zijn reputatie te beschermen. Hij bestaat voornamelijk uit mijmeringen tussen hemzelf en God, en je kunt deze bijna niet lezen zonder het gevoel te krijgen dat je een te intiem inzicht krijgt in zijn vaak ingewikkelde redeneringen. Soms schrijft hij aan zichzelf: verwijtend, uitdagend, bevelend;  soms aan God: smekend, dankend, vol berouw. Soms bericht hij over zijn activiteiten, maar dat is meer om hier een helder beeld van te krijgen dan om ze neer te schrijven voor nieuwsgierige toekomstige generaties. Dit Memoriale en de enkele nagelaten brieven verdienen meer bekendheid, want er zijn schatten in te vinden. Twee thema’s komen er in het bijzonder uit naar voren: zijn  benadering van pastoraal dienstwerk en de onderscheiding der geesten.

 Pastoraal dienstwerk

Favre beschouwde vriendschap, geestelijke gesprekken, biechthoren en de Geestelijke Oefeningen als uitgangspunten van zijn apostolaat. Hij wordt de goede herder, bereid om uit te gaan langs grote wegen en smalle paden op zoek naar de verloren schapen. Hij loopt mijlenver tussen de ene stad en de andere – en binnen de steden – om gesprekken te voeren, vol vertrouwen dat de Heer altijd aan het werk is. Hij legt uit hoe hij al reizend altijd alert is op gelegenheden om goed te doen:

 Wanneer ik in een herberg ben, voel ik mij altijd geïnspireerd om goed te doen door mensen te benaderen en moed te geven… het is erg goed om in de herbergen en huizen waar we toevallig verblijven een spoor achter te laten van goed en heilig gedrag, want je kunt overal goeddoen, overal zaaien of oogsten. (Memoriale, § 433)

 Mensen bij wie hij te voet niet kan komen, probeert hij te bereiken in het gebed. Hij was, zoals Michel de Certeau zegt, “een dienaar van de onzichtbare vriendelijkheid die uit de hoogten was neergedaald” en de breedte en reikwijdte van zijn gebed was buitengewoon. Terwijl hij door Duitsland reist en uit de eerste hand de gevolgen van de Reformatie ziet, blijft zijn gebed verbazend edelmoedig:

 Ik voelde grote vurigheid toen mij acht personen voor de geest kwamen, en ik verlangde voor hen te bidden zonder aandacht te schenken aan hun fouten. Het ging om de paus, de keizer, de koning van Frankrijk, de koning van Engeland, Luther, de Grote Turk, Bucer en Philip Melanchton. (Memoriale, § 25)

 In gebed wendde hij zich tot engelen, welbekende en minder bekende heiligen, gestorven vrienden en vriendinnen, Maria, en bovenal Jezus. Hij bad voor zichzelf, voor zijn vele geestelijke vrienden, voor hen die hij ontmoette, voor de grote machthebbers van Europa en voor diegenen die hem zoveel innerlijke onrust bezorgden. Een moderne lezer kan zich ongemakkelijk voelen bij de naïviteit van Favre – zo had hij een bijna gênante devotie tot een aantal nogal merkwaardige relieken – maar hij was een man van zijn tijd, opgegroeid in het diepvrome Savoie. Hij pleit voor het gebed van eenvoudige mensen ten dele omdat hij, met al zijn geleerdheid, zelf op die manier bidt.

Hij verlangde eigenlijk naar een stabiel leven, op één plaats te kunnen blijven om zijn vriendschappen te kunnen onderhouden. Maar altijd was er weer de roep om te gaan waar hij meer nodig was, en dus ging hij op weg. Op zekere dag schrijft hij, enigszins bedroefd:

 Alleen de Heer kent de redenen waarom ik het niet verdien lang op één plaats te blijven, maar altijd weer op weg moet gaan juist als de oogst groot wordt. (Aan Ignatius, over apostolische activiteiten in Mainz)

 De voortdurende roep om verder te gaan had iets weg van de armoede, vernedering en nederigheid van de meditatie over de Twee Standaarden in de Geestelijke Oefeningen. Favre zocht niet zijn eigen voordeel en hij verwachtte ook niet begroet te worden als een vip. Ook klaagt hij nooit over de inspanningen en gevaren van het op weg zijn. Zijn manier van handelen was warm en openhartig; zelf spreekt hij over “mijn oude stijl van veel omarmen en weinig druk uitoefenen” (aan Diego Laínez, over ontvangen geestelijke gaven). Door deze benadering maakte hij zich geliefd bij leiders van kerk en staat, alsook bij de gewone man en bij degenen die met hem samenwerkten. De kern van Favre’s wijze van optreden in de wereld is zijn geloof dat mensen meer worden veranderd door degenen die in God van hen houden dan door degenen die proberen met hen te debatteren, hen te overtreffen en te zegevieren. Zijn grote gave lag in zijn bekwaamheid om zo naast mensen te gaan staan dat zij van hem gingen houden en zich door hem bemind wisten. Vanuit die opstelling, en alleen van daaruit, maande hij hen aan, probeerde hij hen er toe te brengen zichzelf aan te pakken; hij moedigde hen aan om een beetje te gaan inzien wat God van hen kon maken als ze Hem de kans gaven.

 Onderscheiding der geesten

Wat misschien het meest naar voren komt in de bladzijden van het Memoriale is het karakter van de man zelf. Toen hij in Parijs was, gaf Ignatius hem de middelen om met zijn temperament te leren leven, maar niet om het te verslaan. Zijn gevoeligheid, openheid en enorme nederigheid zouden zijn grootste kracht worden. Zijn grootste kracht werd echter tegelijk zijn grootste zwakheid. Hij herkende de kwade geest en bood er eindeloos weerstand aan, maar hij kon zijn gevoeligheid voor diens aanhoudende druk niet veranderen. Een van de belangrijkste aanleidingen tot droefheid was dat hij altijd eindeloos ontevreden was over zichzelf, niet in staat om zich te verheugen over het werk dat God door hem tot stand bracht of dit zelfs maar te zien. Wat anderen wel konden zien, kon hijzelf niet. In de woorden van de tegenwoordige “Generatie X” had men tegen Favre kunnen zeggen: “Je weet gewoon niet hoe goed je bent.” Het kost moeite om niet te schrikken van de manier waarop Favre soms zichzelf toespreekt in zijn geschriften. Hij verwijt zichzelf zijn treurigheid, zijn gebrek aan tranen, zijn koude manier van bidden, zijn verstrooiingen en bekoringen, zijn onbekwaamheid om te spreken of te schrijven in de juiste geest, dat hij “zoveel zinloze dingen doet en zo vaak handelt uit ondankbaarheid en onwil” (Memoriale, § 120). Hoe deze goede en heilige man ook overkomt op zijn omgeving, inwendig is hij altijd bezig met zijn strijd tegen de bekoring van wanhoop over zichzelf.

Wat Ignatius hem leerde over onderscheiding der geesten was hier van wezenlijk belang. Hij leerde te erkennen dat zijn gebrek aan hoop voor zichzelf niet van God kwam, en in het Memoriale moedigt hij vaak zichzelf aan:

 Ik werd mij op allerlei wijzen bewust van die neiging in mij om mij ellendig te voelen naar aanleiding van mijn onvolmaaktheden en gebreken vooral in mijn gedrag en bezigheden… In deze depressieve stemming bracht het volgende inzicht mij wat geestelijke troost: ik zag in dat God mij gunstig gezind was. Als ik de zekerheid en het bewustzijn van Gods aanwezigheid maar vasthoud, zal Hij van mij maken wat ik kan en moet zijn. (Memoriale, § 238)

 Uiteindelijk maakte elke terugval in wanhoop en depressie dat hij weer vurig bad tot God. Hij kan niet zonder God en hij gaat al zijn lijden, zijn strijd en de dagelijkse gevaren aan in het besef van zijn allesoverheersende liefde voor God en in zijn altijd groeiende overtuiging dat God naar hem toe komt en hem blijft roepen. Misschien wel daardoor werd hij zo bekwaam in onderscheiding – hij was er zelf van minuut tot minuut mee bezig – en op die manier werd hij, volgens Ignatius, de man die beter dan wie ook de Geestelijke Oefeningen gaf.

Bij al de andere verlangens die bovenkomen in Favre’s Memoriale – en hij noemt verlangens in bijna iedere paragraaf – is er één dat met hoofd en schouders boven alles uitsteekt:

 Ik vroeg dat Hij ons zou leren hoe Hem te prijzen en te eren, aan Hem te denken en Hem te kennen; hoe Hem te gedenken, naar Hem te verlangen, Hem te beminnen en te dienen; hoe Hem te zoeken, te zien en te horen, zijn zoete geur in te ademen, ons in Hem te verheugen en Hem aan te raken. (Memoriale, § 51)

 Een verdieping van zijn gebed en vereniging met God wordt duidelijk naarmate het Memoriale voortgaat. Favre’s gebed wordt eenvoudiger, directer, minder gericht op zijn apostolische activiteiten en meer op vertrouwen in God. God antwoordt niet op Favre’s herhaalde verzoeken om zijn onevenwichtigheid weg te nemen. Deze onevenwichtigheid leidt er echter toe dat Favre steeds meer liefde en compassie voelt voor zijn medemensen en meer inzicht krijgt in zijn totale afhankelijkheid van God, zijn enig mogelijke bron van evenwicht.

 “Hij nam geleidelijk aan plaats in hun ziel”

Misschien is de grootste aantrekkingskracht van Favre zijn menselijkheid, die in de hagiografieën gelukkig niet verloren gegaan is. Favre had geen zelfvertrouwen. Zijn geloof in God was niet stuk te krijgen, maar zijn geloof in zichzelf was minimaal. Tegenwoordig zouden artsen hem met medicijnen hebben kunnen behandelen (waarschijnlijk leed hij aan een klinische depressie), maar zíjn enige toevlucht was God.  Hier kan hij ons de meeste troost geven. Hij was een goed man, die groots werk deed, zeer geliefd, maar altijd strijdend met de stemmen die hem het tegenovergestelde zeiden. Voor hen die een soortgelijke strijd aangaan, is Favre een betrouwbare vriend, die goede raad kan geven, juist omdat hij weet hoe het is:

Eenvoud en goedheid moeten uiteindelijk de overhand krijgen boven onze natuurlijke wijze van denken. Dat wil zeggen dat, hoewel we op een natuurlijk niveau zouden kunnen denken dat het juist is om boos of gedeprimeerd te zijn over iets, we er toch met goedheid en eenvoud mee om moeten gaan. Soms worden we innerlijk gekweld; maar zelfs als deze geest de waarheid spreekt en ons verwijten maakt over ons herhaaldelijk falen, dan is het niet de goede geest die handelt indien iets van onze innerlijke rust wordt weggenomen. De geest van God is vredelievend en zachtmoedig, zelfs in een verwijt. (Instructies voor wie op pelgimstocht gaan)

 Men zegt dat heiligen zondaars zijn die nooit ophouden met proberen, iets dat je zeker op Favre kunt toepassen. Hij kende de bittere smaak van teleurstelling in zichzelf. Hij begreep wat het was om altijd weer dezelfde strijd te voeren, met als enig resultaat dat je weer aan het begin ervan stond. Maar dieper nog zag hij de Christus die “troost, helpt, verlost, geneest, bevrijdt, bewaart, verrijkt en versterkt”. Deze Christus diende hij, van Hem getuigde hij en Hem verklaarde hij in zijn geschriften. “De zaken kunnen er erg donker uitzien,” schrijft hij, “en je zult misschien vechten met gedachten waaraan je geen zin hebt om uiting te geven, je kunt misschien jezelf niet eens aanvaarden, maar Christus is er om te troosten, te bevrijden en te sterken” (Memoriale, § 151).

Waarom werd Favre niet heilig verklaard, zoals Ignatius en Xaverius? We kunnen hier alleen maar over speculeren. Hij kwam uit een boerenfamilie uit Savoie, een onbelangrijke provincie, terwijl zijn twee gezellen van adellijke afkomst waren. Ignatius en Xaverius waren beiden getalenteerde predikers, maar Favre won zielen in gesprekken van één op één en voelde zich weinig op zijn gemak wanneer hij moest preken. De oprecht nederige Favre kan het waarschijnlijk niet veel schelen dat zijn gezicht nauwelijks terug te vinden is in de kerken van Rome; hij stond niet graag in de schijnwerpers en probeerde altijd de aandacht van zich af te wenden door te verwijzen naar Jezus. Het is niet Favre die tekort gedaan wordt doordat hij niet de plaats heeft die hem toekomt, dat zijn wij. Wij kunnen alleen maar ons voordeel doen met de inspiratie van een man die door een van zijn tijdgenoten aldus werd omschreven:

 Er lag een bijzonder zeldzame en aangename zachtaardigheid en charme in zijn omgang met anderen die ik tot op de dag van vandaag niet gevonden heb bij wie dan ook. Op de een of andere manier won hij zo de vriendschap van anderen en nam hij geleidelijk aan plaats in hun ziel. Door zijn hele manier van doen en de vriendelijkheid van zijn woorden leidde hij hen onweerstaanbaar naar de liefde voor God. (Simon Rodrigues in 1577)

 

bron: www.thinkingfaith.org, 2 augustus 2013

vertaling: Ernst Bolsius S.J. en Wiggert Molenaar S.J.

Op 17 december 2013 werd Pierre Favre, een van Ignatius’ eerste gezellen en de eerste van de groep die tot priester werd gewijd, door paus Franciscus heilig verklaard. Het verhaal van zijn leven is nauwelijks bekend, in tegenstelling tot dat van Ignatius en Franciscus Xaverius, zijn twee vrienden. Edel McClean stelt deze jezuïet voor, die door ieder die hem kende werd bewonderd, maar getekend werd door een groot gebrek aan zelfvertrouwen. De schrijfster is Britse en begeleidster van de Geestelijke Oefeningen. NB dit artikel werd geschreven vóór de heiligverklaring.

 

Print Friendly, PDF & Email