Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Jezuïeten - Geschiedenis van de Orde / De Sociëteit van Jezus tijdens de opheffing 

De Sociëteit van Jezus tijdens de opheffing 

Redactie Cardoner on 04/06/2012 - 2:03 pm in Jezuïeten - Geschiedenis van de Orde

door Mark Rotsaert S.J.

 In 2014 is het precies tweehonderd jaar geleden dat de Sociëteit van Jezus, de jezuïetenorde die 41 jaar lang was opgeheven, opnieuw officieel werd hersteld. 

 Het jaartal 1773 is veel sterker in het geheugen van vele jezuïeten gegrift dan het jaartal 1814. 1773 is het jaar waarin paus Clemens XIV de Sociëteit van Jezus ophief met de breve Dominus ac Redemptor; 1814 is het jaar waarin paus Pius VII de Sociëteit opnieuw in het leven riep door de bul Sollicitudo omnium Ecclesiarum. Wat de meeste jezuïeten wél weten is dat de keizerin van Rusland, Catharina II, weigerde de pauselijke bul in haar gebieden te promulgeren. Tot die gebieden behoorde sinds 1772 ook het oostelijk deel van de vroegere Republiek Polen als onderdeel van Wit-Rusland. De Sociëteit bleef er dan ook bestaan.

Over de opheffing van de Sociëteit is veel geschreven, maar vandaag zijn de meeste historici, van welke strekking ook, van oordeel dat Clemens XIV heeft gehandeld onder druk van buitenlandse vorstenhuizen. Welke was hun kritiek op de Sociëteit? In verschillende Europese landen met een sterk nationaal gevoelen (en politiek) vond men dat de Sociëteit te “Rooms” was, al te zeer met de paus en het Vaticaan gelieerd, en daardoor te veel macht had. De jezuïeten stonden boven de nationale belangen, en dat ging tegen de tijdgeest in. Portugal was ook gebeten op de jezuïeten omdat ze in Zuid-Amerika “reducties” hadden opgericht, waar de lokale bevolking in haar eigenheid gerespecteerd moest worden en in vrede kon leven, en waar de Portugese kolonisten geen vat op hadden. Dat jezuïeten zich in het ambt van biechtvader van de Franse koning als het ware gespecialiseerd hadden riep tal van vermoedens op die zich tegen hen richtten. De macht en het succes van de jezuïeten waren een doorn in het oog van velen. Zelf waren zij – als korps – niet vrij te pleiten van een zekere hoogmoed en zelfingenomenheid.

In 1814 worden de jezuïeten opnieuw toegelaten. De bul van Pius VII komt niet zomaar uit de hemel vallen. De geschiedenis van  de orde van 1773 tot 1814 is uitermate complex, maar tevens bijzonder boeiend. Het spreekt vanzelf dat de jezuïeten in Wit-Rusland hierin een onvervangbare rol hebben gespeeld. Zij bekleden een sleutelpositie in de evolutie naar een nieuwe erkenning van de Sociëteit wereldwijd. Ook de opvolgers van Clemens XIV, namelijk Pius VI en Pius VII, speelden hierin een positieve rol. En in verschillende Europese landen werden religieuze congregaties opgericht waarvan de leden verlangden tot de Sociëteit van Jezus toe te treden zodra dit opnieuw mogelijk werd. Ook dat heeft als een zachte druk gewerkt.

 De jezuïeten in Wit-Rusland

In 1776 telt de orde in Wit-Rusland nog slechts 145 leden. Er wordt overwogen een noviciaat te openen. Niet iedereen is het daarmee eens. Ook in Wit-Rusland zijn er jezuïeten die ijveren om de Sociëteit op te heffen, in trouw aan de paus. Toch beginnen er besprekingen over een noviciaat – ze zullen drie jaar duren – tussen de provinciaal, pater Czerniewicz, en de lokale autoriteiten, de bisschop en de nuntius, de keizerin én de paus. De provinciaal wil immers geen noviciaat beginnen zonder tenminste een mondeling akkoord van de paus. Begin 1780 wordt het noviciaat in Polotsk officieel en plechtig geopend. Al vanaf het einde van 1779 komen er ex-jezuïeten uit verschillende Europese landen, zoals Oostenrijk, Bohemen, Hongarije, Frankrijk, Duitsland, Italië en Spanje om hun noviciaat te (her)beginnen. De provinciaal moet het aantal beperken wegens plaatsgebrek.

De jezuïeten waren al langer in Polotsk (ten noorden van het huidige Wit-Rusland). In 1579 hadden ze er een college geopend voor de opleiding van jonge jezuïeten. In 1773, het jaar van de opheffing van de Sociëteit, waren er negentig jezuïeten: 33 paters, 34 jezuïeten in vorming en 23 broeders. Gedurende negen jaren werd er geen les gegeven. Pas in 1782 werden de studies hervat. Catharina II wilde de jezuïeten niet verbieden precies wegens de kwaliteit van hun onderwijs. Bij de opheffing waren er vier jezuïetencolleges, waaronder Polotsk en Dyneburg (in Letland). In 1785 vraagt de gouverneur van Sint-Petersburg het studieprogramma van het stadscollege te herzien volgens de Ratio Studiorum, het studieplan en de studiemethode van de Sociëteit. In 1803, onder keizer Alexander I, wordt het college in Vilnius (Litouwen) tot universiteit verheven. In 1812 krijgen de jezuïeten in Polotsk het recht een Academia te beginnen met faculteiten van theologie, filosofie, exacte wetenschappen en oude en moderne talen. In 1820 zijn er zevenhonderd studenten en dertig professoren.

Tijdens diezelfde jaren organiseerden de jezuïeten van Wit-Rusland drie Algemene Congregaties – in 1782, 1785 en 1799, telkens in Polotsk. De eerste Algemene Congregatie was erg belangrijk om uit een juridische impasse te komen: enerzijds had de paus de orde opgeheven, anderzijds was ze in Rusland blijven bestaan dankzij de steun van Catharina II. De Algemene Congregatie koos als vicaris-generaal pater Czerniewicz, die vicaris-generaal zou blijven, zo staat in het decreet, “totdat de universele Sociëteit zou zijn hersteld en een algemene overste zou kiezen”. Men gaat er dus van uit dat de universele Sociëteit zal worden hersteld.

 Pius VI en Pius VII

Al in 1783 had Pius VI een eerste keer zijn waardering voor de Sociëteit uitgesproken. Officieel kon hij weinig doen, want de hoven van Bourbon hadden het zo ver gekregen dat de verkozen paus – het conclaaf had vier maanden geduurd – er niet aan zou denken de Sociëteit opnieuw toe te laten. Men kende echter de waardering van Pius VI voor de orde. In een gesprek met kardinaal Calini verklaarde de paus dat de opheffing van de Sociëteit een daad van onrechtvaardigheid was geweest. In de gesprekken rond het openen van een noviciaat in Wit-Rusland had Pius VI al laten verstaan dat hij hoopte eens die onrechtvaardigheid ongedaan te kunnen maken. Aan een speciale gezant van Catharina II liet de paus verstaan dat hij akkoord ging met alles wat de jezuïeten in Rusland deden, maar dat hij dit niet officieel kon publiceren daar de politieke toestand volgens hem nog niet rijp was. In 1785, ter gelegenheid van de tweede Algemene Congregatie, schrijft de bijzondere gezant monseigneur Benislavski een brief waarin hij zeer duidelijk de woorden van de paus bevestigt. Begin 1799 doet Pius VI een tweede duidelijke uitspraak waaruit blijkt dat hij akkoord gaat met wat de jezuïeten doen in Wit-Rusland, en dat hij hoopt dat de situatie ten aanzien van de jezuïeten zou genormaliseerd worden.

Einde 1799 sterft Pius VI en wordt Pius VII  verkozen. Al is de meerderheid van de kardinalen de jezuïeten goed gezind, ze laten het aan de paus over een beslissing te nemen. In augustus 1800 stuurt keizer Paul I, die de katholieke kerk gunstig gezind is, een persoonlijke brief naar de paus met de vraag de aanwezigheid van de jezuïeten in zijn gebieden officieel te erkennen. Op 7 maart 1801 vaardigt Pius VII de breve Catholicae fidei uit, waarmee hij de orde van de jezuïeten in Rusland officieel erkent. Voor die datum werden de algemene oversten, zoals pater Czerniewicz, “vicaris-generaal” genoemd, na 1801 worden ze opnieuw “generaal overste”, zoals pater Gruber, verkozen in 1802. Het aantal leden van de Sociëteit zal blijven groeien: in 1802 zijn er 247 jezuïeten in Rusland; in 1805 zijn het er al 333, waaronder 100 in vorming. Ook het aantal kandidaten uit verschillende Europese landen blijft stijgen.

 Nieuwe religieuze congregaties

Op het einde van de achttiende eeuw worden een aantal pogingen gedaan om religieuze congregaties te stichten in de geest van de Constituties van de jezuïeten in de hoop dat de Sociëteit van Jezus opnieuw wordt toegelaten en dat de leden van die nieuwe congregaties tot de Sociëteit kunnen toetreden. Zo is er de Sociëteit van priesters van het Hart van Jezus, gesticht in Frankrijk in 1791 door de ex-jezuïet Pierre-Joseph Picot de Clorivière. Clorivière zelf had zijn professie uitgesproken in 1773 daags voor de opheffing van de orde. Zijn Sociëteit werd officieel erkend door de kerk. Maar Clorivière werd gevangen genomen door de Franse politie en zijn Sociëteit werd ontbonden. Wanneer hij de gevangenis verlaat is hij 74 jaar oud. Hij wil zich opnieuw met zijn Sociëteit bezighouden, maar hij wordt benoemd tot provinciaal met het oog op de heroprichting van de orde der jezuïeten in Frankrijk en sterft niet lang daarna.

Een tweede poging vond plaats in België, namelijk in Egenhoven bij Leuven. Twee oud-studenten van Saint-Sulpice in Parijs die naar België zijn uitgeweken vanwege de revolutie in Frankrijk, François-Léonor de Tournély en Charles de Broglie, stichten in 1794 de Sociëteit van het Heilig Hart, die de Constituties van de Sociëteit van Jezus heeft. Na een tijdje zijn ze ook in België niet langer veilig en verhuizen ze naar Beieren en daarna naar Oostenrijk. In 1799 zijn er een vijftigtal leden. Ze stichten in Praag een tweede huis, maar hetzelfde jaar sluiten ze zich aan bij een andere congregatie, de Sociëteit van het Geloof, in 1795 gesticht te Rome en erkend door Pius VI. Deze laatste Sociëteit kent een enorm succes en vestigt zich in verschillende steden van Italië, Frankrijk en Duitsland, maar ook in Engeland, Zwitserland en Nederland (Amsterdam). Na enkele jaren ontstaat er onenigheid in de groep en velen sluiten zich aan bij de jezuïeten in Wit-Rusland. Na 1814 zullen ook leden van de Franse groep zich bij de jezuïeten aansluiten. Ook al is de Sociëteit van het Geloof een kort leven beschoren, ze heeft een betekenisvolle rol gespeeld met betrekking tot de Sociëteit van Jezus.

 Nederland en België

In 1805 nam pater Gabriel Gruber, generaal overste van 1802 tot 1805, het initiatief om de Missio Hollandica, die tot aan de opheffing bij de Provincia Flandro-Belgica had behoord, weer op te richten. Ongeveer dertig missionarissen werkten in Nederland als seculiere priesters, maar in de geest van de orde van Ignatius. Zij maakten de terugkeer van de orde in Nederland, maar ook in België mogelijk. Een aantal ex-jezuïeten uit Nederland en België sloot zich aan bij de jezuïeten in Wit-Rusland. Twee namen mogen hier vermeld worden: Henri Fonteyne uit Brugge en Adam Beckers uit Maastricht. Fonteyne  was lid van de Flandro-Belgica en sloot zich na de opheffing bij de jezuïeten van Wit-Rusland aan. Na een jaar noviciaat in Dyneburg deed hij zijn professie. Hij werd geschiedschrijver van de provincie en prefect van de bibliotheek in Polotsk. In 1806 keerde hij naar België terug en werd overste van de Missio Hollandica, als opvolger van Adam Beckers. Deze Beckers was de verbindingsman tussen ex-jezuïeten uit Nederland en de orde in Wit-Rusland. In 1803 werd hij overste van de residentie van de Krijtberg in Amsterdam, en in 1805 overste van de Missio Hollandica. Beiden hebben het mogelijk gemaakt dat de Sociëteit van Jezus zich opnieuw in Nederland en België kon vestigen.

Beckers was erg bezorgd om het vinden van roepingen. Hij zocht onder meer jonge priesters van de Sociëteit van het Geloof die in de Sociëteit van Jezus wilden intreden. Van generaal overste Gruber had hij de toelating gekregen om kandidaten aan te nemen en naar het noviciaat in Dyneburg te sturen; ex-jezuïeten moesten alleen de Geestelijke Oefeningen doen en hun geloften hernieuwen. Tussen 1804 en 1810 vertrokken achttien kandidaten uit België en Nederland naar Dyneburg, naar het voorbeeld van pater Fonteyne. Onder de eerste door pater Beckers onderzochte kandidaten bevond zich Jan Roothaan uit Amsterdam. Hij kwam in Wit-Rusland aan in 1804. In 1829 wordt hij generaal van de orde, tot aan zijn dood in 1853. Hij zal in 1832 het decreet ondertekenen waardoor België een provincie wordt; hetzelfde gebeurt voor Nederland in 1850.

De Belgische paters hebben bijzondere hulp geboden aan de Sociëteit in Wit-Rusland. Ze hielpen in het noviciaat in Dyneburg, maar ook in het college van Sint-Petersburg en in andere colleges, of werden gezonden naar missiegebieden in Rusland. Anderen werden naar de missie in Amerika gestuurd. De eerste groep jezuïeten die vanuit Wit-Rusland naar Amerika werd gezonden, werd aangeduid door de generaal overste, pater Brzozowski, maar gezonden door pater Beckers in Amsterdam. Deze zorgde ook voor geld en voor al het overige wat voor de overtocht nodig was. Vlak voor de “restauratie” van de Sociëteit in 1814 gaf pater Brzozowski aan de overste van de Missio Hollandica het gezag en de privilegies van een provinciaal en droeg hem op zo vlug mogelijk een noviciaat te beginnen en een aantal colleges te openen. Op 31 juli 1814, het feest van Sint-Ignatius, wordt een noviciaat geopend in Rumbeke bij Roeselare. Er zijn twaalf kandidaten en de novicemeester is pater Fonteyne. Een week later richt Pius VII wereldwijd de Sociëteit van Jezus weer op. Koning Willem van Oranje (1813-1840) verzet zich tegen de herinvoering van de Sociëteit in de Lage Landen. Het noviciaat moet meer dan eens op de vlucht. Het is pas na de onafhankelijkheid van België in 1830 dat de jezuïeten zich er officieel kunnen vestigen. De Belgische provincie van de Sociëteit van Jezus wordt in 1832 opgericht en telt 108 leden. Tussen 1831 en 1840 opent men colleges in Aalst, Namen, Gent, Brussel, Luik, Doornik en Antwerpen. Pater Fonteyne, de overste van 1806 tot 1816, was de grondlegger van wat in 1832 de Belgische provincie zou worden.

 De jezuïeten van Wit-Rusland en het herstel van de Sociëteit in Italië

De hertog van Parma, Ferdinand (1765-1802), een Bourbon, raakt er meer en meer van overtuigd dat de Sociëteit van Jezus het hertogdom Parma opnieuw in een goede staat kan brengen – terwijl hij de orde na de opheffing verdreven had. Hij werkt eerst en vooral op het vlak van het onderwijs: hij vraagt ex-jezuïeten om het onderwijs opnieuw in handen te nemen, en wel volgens de Ratio Studiorum van de Sociëteit. Na enige tijd ziet hij duidelijke vooruitgang, zowel op intellectueel als op moreel gebied. Met dat goede nieuws richt hij zich tot Pius VI. Door wat hij vernomen heeft over de situatie in Wit-Rusland weet Ferdinand dat de paus de jezuïeten goed gezind is. Hij wil dat de Sociëteit in zijn hertogdom een vice-provincie begint en een noviciaat opent. De paus is eerder terughoudend. Maar ondertussen heeft de hertog in 1793 aan de jezuïeten van Wit-Rusland gevraagd, met de steun van Catharina II, enkele jezuïeten naar Parma te sturen. Begin 1794 komen drie jezuïeten vanuit Polotsk naar Parma. Ex-jezuïeten sluiten zich bij hen aan en hernieuwen hun geloften, onder hen Luis Fortis, die in 1820 tot generaal van de orde gekozen zal worden. Onder hen is ook Jozef Pignatell, die in 1797 zijn professie hernieuwt en in 1803 door pater Gruber tot provinciaal van Italië wordt benoemd. Hij sterft drie jaar voordat Pius VII de Sociëteit herstelt. Einde 1802 hebben ongeveer veertig ex-jezuïeten zich bij de nieuwe groep aangesloten. Vijf vroegere huizen van de Sociëteit worden opnieuw geopend. In oktober 1802 sterft de hertog van Parma; hij heeft de officiële heroprichting van de Sociëteit dus niet mogen meemaken.

In 1803 zendt pater generaal Gruber zijn assistent voor Italië, pater Gaetano Angolini, naar Rome en benoemt hem tot algemeen procurator. Hij moet, in het geheim, de zaak van het herstel van de Sociëteit ter sprake brengen bij Pius VII. Pater Angolini zal acht maanden in Rome blijven en verschillende gesprekken voeren met Pius VII, met de staatssecretaris en met andere diplomaten bij de Heilige Stoel. Gruber had dit initiatief genomen in samenspraak met keizer Alexander I van Rusland. Angolini kwam privileges vragen voor de jezuïeten in Rusland, die hem ook werden toegestaan. Maar hij verzocht ook om een algehele normalisering van de Sociëteit – buiten Rusland. Ook al was de paus de zaak gunstig gezind, de weinig diplomatieke wijze waarop Angolini te werk ging heeft het herstel eerder vertraagd dan versneld. Toch werd erin toegestemd dat de Engelse provincie van de Sociëteit werd heropgericht en dat de Sociëteit jezuïeten mocht sturen naar China. Dit laatste zou door onenigheid in de Propaganda Fide onmogelijk worden gemaakt.

In 1804 volgt nog een belangrijke stap in het proces van herstel van de Sociëteit van Jezus: de canonieke heroprichting van de Sociëteit in het rijk van de beide Siciliën, Napels en Sicilië. De positieve resultaten van de aanwezigheid van jezuïeten in het hertogdom Parma werkte aanstekelijk. Ferdinand IV, koning van het Rijk van Napels, wil het voorbeeld van Parma volgen en vraagt jezuïeten voor de colleges. Jozef Pignatelli, pas tot provinciaal benoemd – door Gruber in Wit-Rusland – is de zaak genegen. Maar ook Angolini, de algemeen procutaror, komt de koning van Napels te hulp. Angolini wil dat Napels een provincie wordt onafhankelijk van de Sociëteit in Rusland, waartegen Pignatelli – die ook naar Napels is afgereisd – zich hevig verzet. Op 30 juli 1804 vaardigt Pius VII de breve Per alias uit, waardoor de Sociëteit nu ook in Napels en in Sicilië vrij kan opereren. Eerst in Napels en daarna in Sicilië beginnen de jezuïeten aan hun gewone werkzaamheden. Ex-jezuïeten sluiten zich aan en nieuwe roepingen melden zich. Gruber heeft Jozef Pignatelli tot provinciaal van heel Italië benoemd, maar tegelijk blijft Angolini in Italië, die assistent is voor Italië en algemeen procurator. Die dubbelzinnigheid in het bestuur wordt vooral dankzij de goedheid van pater Pignatelli overwonnen. Wanneer in 1806 de troepen van Napoleon het rijk van Napels veroveren, worden de jezuïeten uit het rijk verdreven. Pignatelli trekt met een groep jezuïeten naar Rome, waar hij overlijdt in 1811. Angolini blijft in Sicilië en fungeert er als een niet officieel benoemde vice-provinciaal. In 1814 keert hij terug naar Rome, waar hij twee jaar later sterft. Angolini en Pignatelli, hoe verschillend ook in temperament en in hun wijze van aanpakken, zijn beiden de architecten van het herstel van de Sociëteit in Italië.

 Herstel van de Sociëteit van Jezus wereldwijd

Waarom heeft het na de erkenning van de Sociëteit in Napels en Sicilië nog tien jaren geduurd vooraleer de paus de beslissing ten uitvoer bracht de Sociëteit wereldwijd te herstellen? Er blijken vooral twee redenen te zijn. Ten eerste, Karel V van Spanje – een Bourbon – bleef zich heftig verzetten tegen het herstel van de Sociëteit, en daarom moest de paus diplomatiek te werk gaan. Maar er is nog een tweede reden: in 1809 wordt Pius VII gevangen genomen en verbannen door Napoleon. Pas in mei 1814 keert hij terug naar Rome. Een van de eerste beslissingen die hij zal nemen is het wereldwijde herstel van de Sociëteit van Jezus. Op 7 augustus 1814 ondertekent Pius VII de bul Sollicitudo omnium Ecclesiarum.

 Tijdens de veertig jaren van de opheffing was het steeds duidelijker geworden wat de kerk door het verdwijnen van de Sociëteit verloren had – ook al waren er voor de beslissing van Clemens XIV aanleidingen geweest. Ondertussen was Europa – en ook de kerk – in verwarring geraakt door wat de Franse Revolutie aan nieuwe ideeën en krachten had losgemaakt. De kerk had hulp nodig. 1

 

1 Alle gegevens uit dit artikel komen uit het magistrale werk van Marek Inglot S.J., La Compagnia di Gesù nell’ impero russo (1772-1820) e la sua parte nella restaurazione generale della Compagnia, Roma, P.U.G., 1997, 337 blz.

Print Friendly, PDF & Email