Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Jezuïeten - Geschiedenis van de Orde / De heel eigen wijze waarop Ignatius te werk ging.

De heel eigen wijze waarop Ignatius te werk ging.

Redactie Cardoner on 07/11/2008 - 3:17 pm in Jezuïeten - Geschiedenis van de Orde

 door John W. O’Malley S.J.

 

 Ignatius heeft het algemeen geldende beeld van heiligheid veeleer ondermijnd dan bevestigd. Dat betoogt John O’Malley, hoogleraar  kerkgeschiedenis aan de Weston Jesuit School of Theology in de Verenigde Staten.

 Iedere cultuur houdt graag vast aan bepaalde ideeën over hoe een heilige er ongeveer zou moeten uitzien en is geneigd zijn persoonlijkheid af te schilderen op een wijze die misleidend  of eenzijdig is. Wij zien wat wij willen zien of waarvan we denken dat we geacht worden dit te zien. Zo hebben we geen oog voor hetgeen bij een bepaalde heilige afwijkt van het geijkte patroon. Om een voorbeeld te noemen: Luis Gonçalves da Câmara liet ons, over een periode van zes maanden in 1555, een soort dagboek na waarin hij had neergekrabbeld wat hij had opgemerkt bij Ignatius, met wie hij bijna dagelijks sprak. De tekst is onlangs gepubliceerd in een uitstekende Engelse uitgave onder de titel Remembering Iñigo (herinneringen aan Iñigo). Uit de wijze waarop Da Câmara schrijft komt het beeld naar voren van een typisch middeleeuwse heilige en religieuze overste – het beeld van  man van gebed en bijna onnavolgbare geestelijke  wijsheid. Deze Ignatius had grote zorg voor de goede gang van zaken in de communauteit. Hij stelde de deugd op de proef van mensen die er baat bij zouden hebben door hem beproefd te worden. Hij was een zo geestelijk mens dat het bij zijn maaltijden leek dat hij helemaal niet at, en dat soort dingen. Ofschoon Remembering Iñigo ons inzicht geeft in bepaalde facetten van Ignatius’ persoonlijkheid, zal niet iedereen het interessant vinden dat bij dat alles niets verrassends te vinden is voor iemand die vertrouwd is met middeleeuwse heiligenlevens.

Da Câmara’s dagboek is natuurlijk een waardevol historisch document; misschien kunnen we hier en daar een vraagteken zetten als hij uiteenzet hoe hij Ignatius beleefde, maar er is geen enkele reden om te betwijfelen of zijn verslag aan de feitelijke werkelijkheid beantwoordt. Misschien echter is hetgeen hem ontgaat belangrijker dan hetgeen hij opmerkt. Wat in het sjabloon niet past, merkt hij niet op. Als je vierenhalve eeuw later naar Ignatius kijkt, heeft het er veel van weg dat deze het toen algemeen aanvaarde beeld van heiligheid eerder in belangrijke mate heeft ondermijnd dan bevestigd. Wat met andere woorden aan Da Câmara ontging is waarschijnlijk datgene waardoor Ignatius juist voor onze tijd het meest van betekenis is. De traditionele grondslag van heiligheid, de “wereldverachting” namelijk,  kreeg door Ignatius een nieuwe betekenis. Vergis ik mij erg als ik hem beschrijf als een seculiere heilige?

Tegenwoordig schijnen maar weinig dingen een meer werelds stempel te dragen dan de zorg voor de public relations, maar Ignatius bespeelde de public relations zeer deskundig. Hij gaf aan jezuïeten de opdracht in hun brieven aan hem niet terughoudend te zijn over hun prestaties. Hij gaf zijn missionarissen in afgelegen landen de opdracht hem niet alleen te rapporteren over hun geestelijk dienstwerk, maar ook over heel alledaagse dingen zoals “hoe lang de dagen in de zomer en in de winter zijn”, “over planten en dieren” en over “alles wat ongewoon lijkt”. Hij wilde die brieven rondsturen om belangstelling voor zijn Sociëteit te wekken en de mensen er gunstig voor te stemmen.

Ignatius wilde een beeld van de orde naar buiten brengen dat een tegengif zou zijn tegen de lasterpraatjes die in hoge kringen de ronde deden. Toen de jezuïeten met het collegewerk begonnen, was de aldus verworven gunstige gezindheid nuttig voor een ander doel. Het hielp toegang te krijgen tot mogelijke weldoeners. Ignatius zelf klopte bij hen aan en werd in feite een man die belast was met de zorg voor wat we tegenwoordig met een mooi woord ontwikkelingswerk en promotie noemen. Hij bevestigde in de Sociëteit een bepaalde aanpak waardoor de Britse historicus Olwen Hufton over de jezuïeten uit de tijd van Ignatius kon schrijven “dat zij de eersten waren die beroepsmatig fondsen trachtten te verwerven”.

Toen tegen het einde van Ignatius’ leven de jezuïeten vaster in Rome waren geworteld, begon hij uit te zien naar weldoeners om voor de Sociëteit in het centrum van de stad een kerk te bouwen. Hij had daarbij geen bescheiden opzet voor ogen. Integendeel zag hij plannen voor een kolossaal bouwwerk en keurde ze goed, en hij was, naar we mogen aannemen, zeer verheugd toen het in 1554 er de schijn van had dat Michelangelo de bouwheer zou worden. Het plan liep weliswaar op niets uit; maar enkele jaren na zijn dood liet kardinaal Alessandro Farnese voor de jezuïeten (en de eer van zijn eigen familie) de Gesù bouwen, een van de belangrijkste kerkgebouwen van de moderne tijd, en we kunnen aannemen dat bij Ignatius deze grote kerk in de smaak zou zijn gevallen.

Ook had hij geld nodig om een landgoed te kunnen kopen, zodat de jezuïeten in Rome zouden kunnen beschikken over een buitenhuis om er zo nu en dan weer op krachten te komen en ontspanning te vinden. Een buitenhuis! Een “huis buiten de stad”! De heilige Carolus Borromaeus, een jongere (en veel vermogender) tijdgenoot van Ignatius zou zijn volgelingen zulk een weelde nooit hebben toegestaan. In de ogen van de aan de wereld onthechte traditionele heiligen was deze aankoop te gek. Hij was ook niet te rijmen met de ruwe wijze waarop ze gewoon waren met hun lichaam om te gaan (Borromeus kende er geen erbarmen mee). Na de omzwaai in zijn leven gaf Ignatius zich aanvankelijk over aan zware boetedoeningen, maar in de loop der jaren raakte hij daar steeds verder van af, en hij schreef tenslotte in de Constitutiesvan de jezuïetenvoor dat men zijn lichaam moest liefhebben en er zorg voor moest dragen. Aan degenen die aan het hoofd stonden van jezuïeteninstellingen gaf hij de opdracht om voor de studenten en voor de jezuïetenfaculteit een dokter op jaarbasis in dienst te nemen.

De excessen van de “heilige dwaasheid” waren het middeleeuwse ideaal van heiligheid. Maar in zijn Constituties schreef Ignatius geen heilige dwaasheid voor, maar gematigdheid – in eten, drinken, slapen, het op zich nemen van werk, en zelfs in de hoeveelheid tijd die aan het gebed moest worden besteed. Hij schreef deze matiging feitelijk voor als een norm voor het goed verstaan van de Constituties zelf, om zo een middenweg aan te geven tussen “gestrengheid en  lauwheid”.

Bijzonder opvallend bij Ignatius was het gemak waarmee hij alle elementen schijnt te hebben aanvaard en onderschreven van de humanistische vorming die in de door hem gestichte scholen gegeven werd. Dit betekende onder meer dat de meeste jezuïeten het merendeel van hun tijd niet doorbrachten in de biechtstoel of op de kansel, maar in een seculiere ruimte, namelijk het klaslokaal. Daarnaast zouden de meesten van hen in deze klaslokalen geen les geven over de Bijbel of over de kerkvaders, maar over heidense literatuur, namelijk de Griekse en Romeinse klassieke schrijvers. Ze zouden deze stof niet eenvoudigweg behandelen als modellen van eloquentie, maar omdat ze, naar men aannam, een morele en geestelijke boodschap belichaamden. Men ging er inderdaad van uit dat in teksten geschreven door mensen die nooit van Christus gehoord hadden, een boodschap te vinden was die met het christendom te rijmen viel.

Natuurlijk had de inrichting van het onderwijsprogramma tot doel van de leerlingen goede christenen te maken, maar men wilde dit doen langs een wat indirecte weg. In 1551 gaf Ignatius aan Polanco de opdracht een brief te schrijven waarin werd uitgelegd wat de scholen verondersteld werden te bereiken. In Polanco’s opsomming van vijftien redenen waarom jezuïeten zich voor dit werk moesten inzetten, wordt niets gezegd over het dienen of hervormen van de kerk, maar wordt het accent vooral gelegd op bepaalde voordelen voor deze wereld, zoals het leggen van een grondslag voor werken van maatschappelijk hulpbetoon als ziekenhuizen en weeshuizen, en omdat het een manier was om de last van de ouders bij de opvoeding van hun zonen wat te verlichten. Belangrijker is dat er hoog van wordt opgegeven dat het onderwijs persoonlijkheden kan vormen die in de toekomst , jawel, “goede pastores” kunnen worden, maar evenzeer goede  “ambtsdragers” en ook “ambtenaren voor de rechtspraak”, mensen die ook “andere belangrijke functies zullen bekleden tot nut en voordeel van iedereen”. Het was een manier om concreet gestalte te geven aan “de zorg voor het algemeen belang”, waarop Ignatius voor de Sociëteit aanspraak maakte in het handvest van de orde dat hij in 1550 ter goedkeuring aan de paus voorlegde.

In wezen lag de heiligheid van Ignatius natuurlijk in de lijn van de christelijke traditie, maar daarin smeedde hij voor zichzelf en zijn volgelingen een speciale “manier van handelen”, om zijn woord te gebruiken, en deze leidde tot iets wat daarbinnen wat afweek. God is wonderbaar in zijn heiligen. Ieder van hen, ieder van ons, is uniek en geeft gestalte aan Gods genade op een manier die past bij ieders geheel eigen aard. Geen van hen, niemand van ons, kan in een schema gevangen worden. De rijkdom van het katholieke geloof wordt grotendeels bepaald door het samenstromen van al die verschillende manieren waarop de genade in ieder op een heel eigen wijze werkzaam is. Vandaar dat het katholicisme meer is dan een bundeling van leerstukken en een moreel wetboek. Dat is de reden waarom wij de heiligen vieren.

 

uit: America 195/3 (2006)

vertaling: Felix van Voorst tot Voorst S.J.

Print Friendly, PDF & Email