Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Ignatiaanse spiritualiteit / Magis – steeds meer?!

Magis – steeds meer?!

Redactie Cardoner on 04/11/2011 - 11:58 am in Ignatiaanse spiritualiteit

door Willi Lambert S.J.

 “Het ignatiaanse magis is niet geboren uit dadendrang, uit een voortdurend overvragen van zichzelf of overvraagd worden door God, maar is een natuurlijke dynamiek die hoort bij het wezen van de liefde”, schrijft de Duitse pater Willi Lambert. Geboren in 1944, in 1964 ingetreden bij de jezuïeten, doctoraat over de filosofie van het gebed bij Franz von Baader, 1977-1987 spirituaal voor priesterkandidaten aan het Germanicum in Rome, 1987-2000 kerkelijk assistent voor de GCL in Duitsland, vele jaren lid van de Groep voor ignatiaanse spiritualiteit (GIS), en nu in München.

Deze titel is voor het eerst gebruikt ter gelegenheid van een cursus die wij – de GCL en de jezuïeten – aanbieden in ons Ignatiaanse Centrum Sint-Michaël in München. De meer algemene titel luidt: “Aanbod voor een christelijke levenscultuur”. Daarmee worden cursussen bedoeld die methodisch werken, zoals geestelijke oefeningen in het dagelijkse leven, en tegelijkertijd het accent op een bepaalde levens- en geloofsthematiek leggen. Wij begonnen met de geestelijke oefening: ritme – pauze – ademhalen, “dan zal de Heer een tijd van rust doen aanbreken” (Hnd 3,20). In Wenen heeft zuster Melanie Wolfers van de zusters Salvatorianessen deze cursus ook georganiseerd met ongeveer dezelfde passende en prima titel: “Genoeg van te veel!” Tot het “magis” in de titel kwam het door de uitnodiging van de Katholieke Hogeschoolgemeente in Eichstätt; men wilde daar iets “ignatiaans” horen – bij het magis. Toen was de titel duidelijk: Magis – “Almaar meer” of  “Genoeg van te veel”!?

 Plus ultra (Keizer Karel V) en magis (Ignatius)

 Als men voor het magis van Ignatius in zijn levensgeschiedenis een begin en een toegang zoekt, dan helpt het om eens naar Karel V te kijken. Beiden waren tijdgenoten en waren door verschillende personen met elkaar verbonden. In het rijk van Karel V heette het dat “de zon niet onderging” en zijn eerste biograaf noemde hem “Karel de Grote”. Zijn wapenspreuk “plus ultra” betekent “meer en nog meer.” Allereerst werd de wereld voorbij de zeestraat van Gibraltar bedoeld, die in de oudheid het einde van de aarde symboliseerde. In zijn tijd werd Amerika ontdekt, werd naar Indië gevaren, werd om de aarde gevaren, en begon het koloniale tijdperk.

In die tijd, in dat klimaat leefde Ignatius. En dus is het begrijpelijk dat zijn autobiografie begint met de woorden: “Tot aan zijn zesentwintigste was hij iemand die zich overgaf aan de ijdelheden van de wereld. Wat hij vooral graag deed was zich oefenen in het hanteren van de wapens, met een groot en ijdel verlangen daarbij eer te behalen” (Het verhaal van de pelgrim, 1). Ignatius, een persoon, iemand van adel, een man die egocentrische idealen had en zwijmelde bij droombeelden van ridders en hun veroveringen. Doordat hij in de strijd gewond werd en bijna doodging, werd hij van binnen geraakt door de realiteit van de levende Christus en begon het proces van zijn bekering en de ommekeer in zijn leven. Het plus ultra liet hij aan zijn keizer over; voor zichzelf koos hij voor de weg van een pelgrim, Jezus volgen. Hij luisterde steeds fijngevoeliger naar zijn “Mij achterna”. Of hij grote of kleine stappen zette was niet meer zo belangrijk. De eerstvolgende stap op weg naar het doel is de belangrijkste.

“Meer meer” en “much more love”

De jongeren-GCL heeft lang geleden op een “Katholiekendag” gestaan met een grote poster waarop stond: “Meer meer”. Daarmee werd met jeugdig fris elan iets van de dynamiek en atmosfeer van het magis uitgedrukt. Jeugd en avontuur, opkomende bestaanservaringen en verlangen naar bijna eindeloze vrijheid en ruimte, dat hoort zo te zeggen traditioneel bij nogal wat jonge mensen. En evenzeer bij oudere heiligen. Teresa van Avila zei eens: “De liefde maakt geen pas op de plaats.” Bij Ignatius wordt die levens-liefdesdynamiek vooral door zijn diepgelovige verlangen duidelijk. Voor iedere gebedstijd spreekt hij een wens uit. En in het algemene voorbereidingsgebed, dat hij altijd bidt, komt het basisverlangen, de bron van zijn magis tot uitdrukking: “God onze Heer de genade vragen dat al mijn bedoelingen, daden en geestelijke werkzaamheden zuiver gericht mogen zijn op de dienst en lof van zijne goddelijke Majesteit” (Geestelijke Oefeningen, 46).

Bekender dan deze ignatiaanse bede is het woord van Augustinus in zijn geestelijke autobiografie: “Onrustig is ons hart, o God, tot het rust in U.” En ten aanzien van de Bijbelse uitnodiging “Bid zonder ophouden” zegt hij: “Het verlangen is het altijddurende gebed.”  Wie leeft in Godsverlangen – of hij bidt, werkt of rust – die beweegt zich naar God toe. “Dichter, mijn God, bij U”, dat is de bedoeling van het magis, en daarom staat in de laatste aantekening van het boekje van de Geestelijke Oefeningen dat de stille tijd in afzondering ertoe dient “God onze Heer nabij te komen” (GO 20).

Tegen deze achtergrond wordt duidelijk dat het magis niet is geboren uit dadendrang, uit een voortdurend overvragen van zichzelf of overvraagd worden door God, maar een natuurlijke dynamiek is die hoort bij het wezen van de liefde. De liefde kan nooit zeggen: “Nu is het genoeg. Nu heb ik genoeg liefgehad!” Het is waarschijnlijk om die reden dat Paulus ergens zegt: “Wees elkaar niets schuldig behalve liefde. Heb uw naaste lief als uzelf. De liefde berokkent de naaste geen kwaad. De liefde vervult de gehele wet” (Rom 13,8-10).

Toen ik op een oecumenische Kerkendag met een vrouw over het thema magis in gesprek raakte, vertelde ze mij hoe vele jaren geleden een retraitebegeleider in de Filippijnen haar gezegd had dat de hele weg van de Geestelijke Oefeningen samengevat kon worden met de woorden: “Much more love”. Deze formulering is eenvoudig, maar waar. Bij het magis gaat het slechts om dit ene: “Veel meer liefde”.

 “Kiezen wat ons meer naar het doel leidt!”

In het boekje van de Geestelijke Oefeningen staat het in de laatste zin van het zogenaamde Uitgangspunt en fundament (GO 23) wat formeler en meer op onderscheiding gericht: “Het enige wat wij moeten verlangen en kiezen is wat ons dichter brengt bij het doel waarvoor wij geschapen zijn.” De power, de kracht krijgt deze formulering door de samenhang en de context: het gaat om leven en dood, om zin en onzin, om levensvriendelijk en levensvijandig, om absurditeit en vervulling, om groeien en verkommeren.Met deze formulering en dit inzicht wordt gezegd: in jouw leven, onderscheiden en vormgeven gaat het heel wezenlijk om de volgende vragen:

  • wat is voor mij leven, vervulling en het hoogste doel in mijn leven?
  • wat zijn de manieren en hulpmiddelen die mij tot leven brengen?
  • wat is voor mij goed, beter, wat brengt mij verder op mijn weg?
  • hoe kom ik tot die vrijheid die mij steeds het “betere” doet kiezen?
  • ben ik van binnen in contact met de leidraad van het verlangen, waarin ik “het doel in mij” en “de weg voor mij” waarneem en op het spoor kom?

Als iemand in contact komt met deze vragen en de daarmee verbonden belevenissen en innerlijke bewegingen, zal hij ongetwijfeld de dynamiek van het goede voelen. Nergens wordt dit zo duidelijk uitgesproken als in het verhaal van de schepping: als God “vaststelt” hoe het werk van de schepping is, welk gevoel dat heeft, welk woord daarvoor betekenisvol is, dan valt Hem, oftewel de schrijver van het scheppingsverhaal, allereerst en bovenal het woord “goed” in. Ja, “het was heel goed!”(Gn 1,31). En alles groeide nog. Misschien is daarom een van de meest treffende omschrijvingen van de liefde: “Liefde is de belangstelling voor het groeien van de ander”; en in de liefde voor jezelf de belangstelling voor het jezelf worden en daaraan groeien, zo dat het door God gegeven persoonlijke schepsel groter wordt, zichzelf wordt en groeit . –  Zo kan men vaststellen dat het magis de beweging naar volheid en voleinding is. Op het spoor van het magis zijn betekent een levenlustige mens zijn, die “heelheid” zoekt.

In de laatste van de twintig aantekeningen van de Geestelijke Oefeningen gebruikt Ignatius een heel eenvoudig en concreet woordbeeld voor het magis van de mens-op-weg: toenadering!

Reinheid en onmenselijke scrupulositeit

Het wekt eigenlijk alleen maar bewondering, als men een mens kent die zich in alles bewust is van de waarheid van zijn leven: in dankbaarheid voor alles wat gegeven is, maar ook met de pijn en het berouw voor al het onmenselijke, voor iedere weigering om liefde te geven. Ignatius was zo’n mens. Drie dagen lang heeft hij zijn geweten onderzocht, en in een algemene biecht zijn leven aan de gerechtigheid en barmhartigheid toevertrouwd. Hij wilde “rein en onberispelijk” zijn. Zijn Heer moest vreugde aan hem beleven. Wie Ignatius kent weet hoe die geschiedenis verder verliep: hij vond steeds opnieuw weer zonden in zijn leven en rende tussen de biechtstoel en gewetensverlichting heen en weer, tot hij aan zijn leven begon te twijfelen en met de gedachte speelde zich van kant te maken. Dit is tot een klassiek voorbeeld geworden, hoe onder de schijn en de dekmantel van het goede een leven verstoord kan worden en hoe onheilige neigingen zich kunnen verbergen. Een simpele vergelijking: het kan iemand die een uiterst fijn potlood wil hebben, gebeuren dat hij de punt steeds slijpt en nog eens slijpt en dat de punt al bij heel licht drukken telkens weer afbreekt, en dat hij dan aan het eind slechts gekrabbel plus meters slijpsel overhoudt. Pas toen Ignatius doorhad dat deze overdreven of te zorgvuldige manier van doen hem er bijna toe bracht zijn weg met Christus op te geven, zag hij in waar hij mee bezig was – en hij was in het vervolg genezen van zijn zware gewetensangsten.

 Heiligen en zondaars

Ignatius vertelt een episode uit zijn leven die laat zien hoe hij ook na zijn innerlijke bevrijding nog vechten moest:

 “Toen hij op een keer in Manresa ziek was, kwam hij ten gevolge van een bijzonder hoge koorts zo dicht bij de dood dat hij ervan overtuigd was dat zijn ziel spoedig uit hem zou heengaan. Daarbij kwam een gedachte in hem op die hem ingaf dat hij een rechtvaardige was. Hij had daar zo mee te kampen dat hij niets anders deed dan ze van zich afzetten en zich zijn zonden voor de geest halen. Hij had het met die gedachte nog zwaarder dan met de koorts zelf. Hoe hij zich ook inspande om die gedachte te overwinnen, het lukte hem niet. Ten slotte zakte de koorts wat en stond hij niet meer zo op het punt de geest te geven. Daarop begon hij enkele vrouwen die hem waren komen opzoeken met luide stem te bezweren dat ze hem – in geval ze hem nog eens op het punt van sterven zouden aantreffen – om de liefde Gods toch hardop zondaar zouden noemen, en hem zouden toeroepen dat hij zich de beledigingen maar eens te binnen moest brengen die hij God aangedaan had.” (Het verhaal van de pelgrim, 32)

 Ignatius legt deze gebeurtenis niet geestelijk-psychologisch uit. Hij vertelt ze alleen maar. Moet je hem toewensen dat hij de door God gegeven heiligheid toch ook op zichzelf zou betrekken? Of dacht hij te moeten erkennen dat in zijn hersenspinsels, in het idee dat hij een heilige was, toch nog zijn adellijke afkomst, de “ridder zonder angst en blaam” meespeelde? – Hoe ziet bij ons de strijd tussen heilige en zondaar eruit? “Simul iustus et peccator” is daar een uitdrukking voor. Ernst Hello stelt vast: “Verdrietig groet diegene die ik ben, diegene die ik zou moeten zijn.” Hoe raakt ons de uitdrukking van Léon Bloy: “Er bestaat geen verdrietigheid buiten deze, geen heilige te zijn.” Kennen wij ook zulke verdrietigheden? Wat doen die met ons? – Tot de meest geciteerde woorden van de 32e Algemene Congregatie van de jezuïeten in 1975 hoort het begin van het decreet Jezuïeten vandaag. Dat begint met een fundamentele vraag en een simpel antwoord: “Wat betekent jezuïet zijn? Ondanks het besef van eigen zondigheid beseffen dat men geroepen is gezel van Jezus te zijn” (decreet 2, nr. 1). Het verdrietige verdwijnt door een diepe verbazing en is in dankbaarheid ingebed.

“In iedere levensstaat tot volmaaktheid geraken”

In het traditionele spirituele spraakgebruik werd vroeger gesproken van de “staat van volmaaktheid”. Daarmee werd het religieuze leven bedoeld, met de uitdrukkelijke geloften van armoede, gehoorzaamheid en het ongehuwd blijven omwille van het rijk der hemelen. Dit betekende niet zelden dat men dacht: een volmaakte christen kan diegene pas zijn die in deze staat van volmaaktheid leeft. Tegen deze achtergrond is het heel betekenisvol dat Ignatius in zijn Inleiding om de levensstaten te overwegen schrijft:

 “Wij hebben al het voorbeeld overwogen dat onze Heer ons heeft gegeven van de eerste levensstaat – het onderhouden van de geboden – toen Hij gehoorzaam was aan zijn ouders, en ook van de tweede levensstaat – de evangelische volmaaktheid – toen Hij in de tempel achterbleef en zijn voedstervader en zijn natuurlijke moeder achterliet.” (GO 135)

 En dan moet men erom bidden “in welke levenswijze of welke levensstaat de goddelijke Majesteit zich van ons wil bedienen”. Daarom gaat het; zoals het ook in een Duits kerklied heet: “Zoals mijn God het wil, ben ik bereid….” En de bedoeling is dat wij “ons innerlijk voorbereiden om tot volmaaktheid te komen, welke levenswijze of welke levensstaat God onze Heer ons ook te kiezen geeft” (GO 135). Daar zou een uitroepteken moeten staan, want het moet gezegd worden: wie vandaag de dag nog gelooft dat het een punt van discussie is dat men ook in het huwelijk of als “christelijke single” een christen kan zijn die in de “volheid van het leven” leeft die Christus geven wil, die is – wat Ignatius betreft – 450 jaar achter. Of wat positiever gezegd, die mag zich met een zuiver geweten op een geestelijke autoriteit als Ignatius beroepen.

Van “meer” tot “helemaal” en “alles” (Ps 108)

De beweging van het magis loopt uit op “helemaal” en “alles” en de “totale zelfgave”. De “devoción”, het “overgegeven zijn” dat uitgedrukt wordt in het overgavegebed, is de diepste spirituele realisatie van de spiritualiteit van Ignatius. Dat wordt duidelijk bij de Beschouwing om tot liefde te komen (GO 230 e.v.). Allereerst wordt de blik gericht op de liefde van God, die onze zelfgave mogelijk maakt. Ignatius schrijft:

“Met grote innigheid afwegen wat God onze Heer voor mij allemaal heeft gedaan en wat Hij mij allemaal heeft gegeven van wat Hij heeft, en hoe diezelfde Heer verlangt zich aan mij te geven zoveel Hij maar kan, volgens zijn goddelijke beschikking” (GO 234).

Dat wil zeggen dat God zich geeft – zeldzaam dat te horen – zoals dat überhaupt alleen voor God mogelijk is. Deze goddelijke overvloed is het motief voor het menselijke streven naar “meer”. En enkel en alleen gedragen door goddelijke overvloed is het menselijk streven naar “helemaal” en “alles” te begrijpen, en is het mogelijk en te verwezenlijken. De liefde van Ignatius antwoordt daarop dan als volgt:

“Neem, Heer, en aanvaard heel mijn vrijheid, mijn geheugen, mijn verstand en heel mijn wil, alles wat ik heb en bezit. U hebt het mij gegeven, aan U, Heer, geef ik het terug. Alles is van U, beschik erover geheel volgens uw wil. Geef dat ik U mag liefhebben, die genade is mij genoeg.” (GO 234)

 “Ésta me basta.” – Wie geeft van wat hij gekregen heeft, zich geeft, daarvoor geldt de belofte van Jezus: “Geef, dan zal je gegeven worden; een goede, stevig aangedrukte, goed geschudde en overvolle maat zal je worden toebedeeld” (Lc 6,38).

“Beperkt kunnen” en “wijze matigheid”

In de grote Beschouwing om tot liefde te komen vindt men bij Ignatius een formulering over het “beperkte kunnen” (GO 237) waar men gemakkelijk overheen leest. Daarom laat hij bidden: “Kijken hoe al het goede en alle gaven van boven neerdalen, zoals mijn beperkte kunnen van het hoogste en oneindige kunnen daarboven. En zo ook rechtvaardigheid, goedheid, mededogen, barmhartigheid enz.” – alles “beperkt”. Ignatius weet daardoor dat de mens “open voor God” is, voor diens oneindige liefde, en tegelijkertijd menselijk begrensd. Hij zou best meegeholpen kunnen hebben bij het formuleren van een gebed uit het missaal:

 “God, U hebt ons verschillende gaven geschonken. Aan niemand hebt U alles gegeven, en aan niemand niets. U geeft aan een ieder zijn deel. Help ons om hierover niet met elkaar te strijden, maar elkaar te dienen met datgene wat U aan ieder van ons ten gunste van allen gegeven hebt. Dat bidden wij door Jezus Christus.” (Schottmissaal, dagelijkse gebeden naar keuze nr. 14)

 

Wijsheid is voor Ignatius kenmerkend. Hij laat ze zelfs voor de liefde gelden, als hij van de “discreta caritas”, het “wijze onderscheiden van de liefde” spreekt. Over hartstocht hoeft hij gezien zijn karakter en levensgeschiedenis niet te spreken. Wel over beperking. Zo schrijft hij op een keer aan een overijverige medebroeder, Francisco de Borja, de derde generale overste van de jezuïeten: “De beginneling moet leren zich in te tomen en te sturen, zodat hij zijn ondergang niet tegemoet gaat, wanneer hij anderen wil helpen. ‘Want als iemand slecht is voor zichzelf, voor wie zal hij dan goed zijn?’ (Sir 14,5) … Om het midden te houden tussen lauwheid en te veel ijver, kunt u beter uw zaken bespreken met uw spirituaal.” Ignatius spreekt uit eigen ervaring als hij schrijft:

 “Ik weet dat de heiligen deze en andere vrome dwaasheden tot hun voordeel gebruikt hebben, en dat deze dingen betekenis hebben om zichzelf te overwinnen en te groeien in genade, in het bijzonder in het begin. Maar voor diegene die al meer beheersing heeft over zijn zelfzucht, vind ik wat ik zojuist geschreven heb beter, namelijk dat men zich aan de gulden middenweg van het verstandig beperken houdt.”

 Wie dit leest zal begrijpen dat het ignatiaanse magis een mens niet alleen ontevreden over zichzelf moet maken, maar hem naast “gezonde onrust” ook vrede wil geven. Een medebroeder van Ignatius, pater Da Câmara, vertelde eens dat Ignatius hem af en toe, als hij van een opdracht die hij had uitgevoerd terugkwam, vroeg: “Bent u tevreden over uzelf?” Als ik dit als voorbeeld gebruik van de manier waarop een baas met zijn mensen zou kunnen praten, gaat er bij de toehoorders dikwijls een verbaasd gefluister door de rijen, of dat nu verantwoordelijken of “uitvoerende organen” zijn. Te-vreden-heid als een belangrijk innerlijk gevoel. Dat gevoel is voor een onverbeterlijke perfectionist heel moeilijk te bereiken. Ook met iets tevreden kunnen zijn heeft veel met levensgeluk en met godvrezende nederigheid van doen.

De “comparatieve spiritualiteit” van Ignatius (Urs von Balthasar)

Ignatius legt buitengewoon veel nadruk – in ieder geval in het Duits – op de lettergreep “er”. Dikwijls gebruikt hij de vergrotende trap, de comparatief: “gro-ter”, “ijverig-er”, “toepasselijk-er”. Deze observering commentarieert Hans Urs von Balthasar indrukwekkend in zijn korte nawoord bij zijn vertaling van het boekje van de Geestelijke Oefeningen. Zijn boodschap mondt uit in de uitspraak dat de comparatief – niet de superlatief (!) oftewel het maximum – de centrale dynamiek van de ignatiaanse spiritualiteit vormt:

 “Het leek nodig dat formeel element dat als een rode draad van begin tot einde door het hele werk loopt, de comparatief, duidelijk te onderstrepen om het herkenbaar te maken. De comparatief (más, mejor enz.), de naar boven open verhoging, is het eigenlijke levens- en denkritme van de stichter van het gezelschap van Jezus, die – wars van elke statische positief en superlatief – in de onbeperktheid van het meer het onderscheidend goddelijke (Deus semper major), maar ook het onderscheidend menselijke tegenover God (ad majoram Dei gloriam) uitgedrukt ziet. Zo wordt deze open comparatief, die ook alle brieven van Ignatius en de Constituties bepaalt, tot het trefwoord van de Geestelijke Oefeningen. Het leek aangewezen om (zoals al Erich Przywara deed), daar waar dat mogelijk is, dit door de formule ‘steeds meer’ of ‘telkens meer’ duidelijk te maken.” (Ignatius von Loyola, Die Exerzitien, 5e dr., Einsiedeln, 1965, blz. 95)

 Dus niet statisch en niet maximalistisch: niet groot of allergrootst, maar “steeds groter”; niet “liefdevol”, maar “liefdevoller”; niet “goed”, maar “steeds beter”; maar net zomin even “het absoluut beste” doen. Zo zou men misschien kunnen zeggen: ignatiaanse spiritualiteit is een spiritualiteit van telkens een volgende stap. Een spiritualiteit van de volgende stap op de basisroute en naar het doel van de route die “weg, waarheid en leven” heet.

“Onvolmaakt loven…”

Tot slot wil ik nog een belevenis vertellen die mij jaren geleden heeft geholpen om het magis te begrijpen. In Italië deed ik gedurende twee jaar naast mijn taak als spirituaal een beroep op een  aiuto personale, dat is een persoonlijke psychologisch-geestelijke hulp. Toen die tijd bijna afgelopen was, had ik een droom, die bij de weinige dromen hoort die ik mij af en toe kan herinneren. Het was heel simpel: ik nam van binnen de woorden waar en zag die ook ergens geschreven: “Onvolmaakt loven. Ik loof God onvolmaakt. – Een citaat van Augustinus.” Ik was verbaasd over deze zeldzaam heldere droom. Of Augustinus ooit iets dergelijks of iets wat daarop lijkt gezegd heeft, weet ik niet. Uitgesloten is het niet. Het interessante van die droom was eigenlijk de reflectie daarna. Want heel spontaan en intuïtief kwam bij mij de gedachte op dat de boodschap van mijn droom een andere kleur krijgt afhankelijk van wat ik onderstreep en beklemtoon. Ofwel hoor ik altijd weer: “Ik loof God onvolmaakt, ik loof God onvolmaakt, enz.” ofwel hoor en zeg ik: “Ik loof God – onvolmaakt; ik loof God!”

Misschien bestaat de levenskunst en de gunst van een genadevol leven hierin dat wij woorden, boodschappen juist benadrukken. Een klein voorbeeld: of ik iemand omverrijd of om hem heen rijd (umfahre of umfahre), dat kan in het verkeer een kwestie van leven of dood zijn! Misschien is het ook zo in het geestelijk leven. Of ik altijd maar weer dat wat er niet is of wat niet lukt enz. beklemtoon, of dat ik het goede, het groeien, het mij ervoor inzetten, de kleine stap beklemtoon, dat ik daar attent op ben en mij daarover verheug en doorgroei – dat kan een wezenlijk onderscheid zijn tussen een levensvijandige geestelijke houding en een levensvriendelijke spiritualiteit.

uit: Korrespondenz zur Spiritualität der Exerzitien 97 (2010)

vertaling: Mary Blickman

 

Print Friendly, PDF & Email