Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Ignatiaanse spiritualiteit / Celibaat in creativiteit

Celibaat in creativiteit

Redactie Cardoner on 04/02/2012 - 9:45 pm in Ignatiaanse spiritualiteit

door Frans Kurris S.J.

 Voor een gezonde celibaatsbeleving is een eschatologische, “jenseitige” motivering niet voldoende, maar is ook een engagement met het “Diesseits”, met de wereld van de mens en de cultuur, wenselijk.

 Mijn kamer wordt schoongehouden door Agnes. Zij is ongeveer veertig jaar. Veertien jaar geleden verloor zij haar man door een ernstige ziekte en bleef met twee kinderen achter. Sindsdien werkt zij, voor haarzelf en de kinderen. De kinderen zijn alles voor haar; zij zouden ook voorgaan als zich een andere man zou aandienen. In feite leeft Agnes celibatair, maar zij leeft hoogst creatief: haar kinderen en hun toekomst staan centraal. Al is haar celibaat niet vrijwillig, haar creativiteit oefent zij hoogst persoonlijk uit.

 Belofte

Omdat het celibaat op een leegte wijst, krijgt het alleen zin als daar een vulling tegenover staat: opvoeding van kinderen, een diepe vriendschap, zinvol werken, de eeuwige herinnering aan een overleden echtgenoot, en dergelijke. Soms is het celibaat geheel vrijwillig gekozen “omwille van het rijk der hemelen” (Mt 19,12). Dan verwijst het naar een Overzijde, het heet “eschatologisch”; een belofte wordt gegeven, een wissel wordt getrokken op de nog onbepaalde toekomst – meer niet. Maar het celibaat volstaat niet als pure verwijzing naar een nog niet, alleen in Christus gerealiseerd ideaal. Wel gaat het helemaal over de realisatie van dat ideaal. Het betreft hier geen ideaal of ideologie, maar een werkelijkheid die aan de gang is, op gang. De vraag luidt: hoe wordt het ideaal hic et nunc vervuld, hoe krijgt het nú zin? Volstaat het puur sacrale om het celibaat leefbaar te houden?

Ook in de theologie over jenseitige Menschen wordt wel uitvoerig gehandeld over het ideaal, maar niet over de wijze waarop het ideaal wordt bereikt. Ignatius zegt wel heel kort door de bocht: “Hetgeen betrekking heeft op de gelofte van zuiverheid heeft geen verdere uitleg nodig, aangezien immers vaststaat hoe volmaakt ze moet worden nageleefd: wij dienen er namelijk naar te streven door smetteloosheid van lichaam en geest de engelen in hun zuiverheid na te volgen” (Constituties, 547). De zeer uitvoerige uitleg van de beide andere geloften stelt dit uiterst korte paragraafje in de schaduw. De Aanvullende Normen 144-148 vroegen dan ook in de afgelopen jaren uitvoerige verhandelingen, zoals het achtste decreet van de 34e Algemene Congregatie (1995) en de verspreide toespelingen in de decreten van de 35e Algemene Congregatie (2008). Toch is er in de paragrafen 18 en 19 van het tweede decreet alleen sprake van de beschikbaarheid voor liturgie en verkondiging en van de “vriendschap in de Heer” die het celibaat vervullen. Maar zijn dit afdoende antwoorden op de vragen die de hedendaagse religieus stelt?

 Liefde die geeft

Het voorbeeld van onze jonge weduwe brengt ons verder. In het geval van het onvrijwillige celibaat kunnen verschillende elementen een hoofdrol spelen. Wij maken iemand mee die niet alleen liefde ontvangt, of slechts instinctmatige vriendelijkheid beoefent, of die deel uitmaakt van een sociale institutie, maar die gewoon liefde wil geven. Daardoor laat zij haar mens-zijn typeren. Zo beeldt zij God zelf uit, Hem naar wiens beeld wij gemaakt zijn. Dat is een beeld van liefde, van een God die louter Liefde, dus niets-dan-Liefde is. Zijn bestaan is Liefde. Zijn andere eigenschappen zijn gevolgen van die Liefde. Hij is alomtegenwoordig, onmetelijk, vergevingsgezind, eeuwig, vrijgevig, alleen omdat Hij louter Liefde is. Liefde ontvangend en liefde gevend: als Vader, als Zoon en als Geest, als ouders en kinderen in hun gezinsleven.

In die zin komt elke mens tot volle ontplooiing wanneer hij of zij leeft in een even concreet als onbegrensd bestaan dat zich wijdt aan God of aan zijn schepselen. Die schepping is in eerste instantie de echtgenoot: “Mannelijk en vrouwelijk schiep God de mensen” (Gn 1,27). En die mens komt tot een eerste vervulling wanneer hij de “hulp die bij hem past” (Gn 2,18; in het Frans vertaald als “une aide qui lui soit assortie”, of “accordée”) in verrukking ontmoet. Maar ook de liefde van ouders voor hun kinderen, een diepe vriendschap, en alle goed dat men doet aan de armen uit Matteüs 25,31-46, met wie Jezus zich identificeert, mogen vectoren heten van de liefde die de mens tot de ware mens maakt.

 Met hart en ziel voor de schepping

In mindere, maar niet minder waarachtige mate kan ook alles wat menselijk heet of te vermenselijken is tot “het rijk van God” gerekend worden: structuren die mensen oprichten in onderwijs, bestuur en vorming, kunst, politiek, wetenschap, techniek, geneeskunde. Al wat menselijk tot stand komt, met hart en ziel verricht, scheppend, behoort tot het rijk van God. De deelname, vaak samen met anderen, aan zinvol scheppen – professioneel, niet alleen als hobby of onverplichte ontspanning – geeft inspiratie en kan leiden naar een creatief celibaat.

Een zestal voorbeelden kan dit verduidelijken.

Een priester-leraar geeft natuurkunde op een middelbare school. Anderen geven catechese, collega-priesters vervullen liturgische functies. Hijzelf geeft les, elke dag, een vol rooster, jaren lang. Hij doet dat met hart en ziel. Alleen in het weekend viert hij de eucharistie. Het celibaat onderhouden is voor hem af en toe moeilijk, maar naar zijn zeggen “geen kunst”. Lesgeven betekent voor hem dat leraar en leerling zich samen buigen over de stof, zodat de leraar de natuurkunde lijkt te incarneren. Dat is zijn lust en zijn leven. Het is de stof dus die centraal staat, maar zij boeit de leraar. Hij houdt ook van zijn leerlingen. Vooral voor de zwaksten spijt het hem dat natuurkunde zo’n moeilijk vak is, maar hij probeert ook hen helemaal bij de stof te betrekken. Met andere woorden, hij is uitsluitend bedacht op “humaniora”, het vermenselijken van leerling en leerstof. Vindt in deze vermenselijking niet de God-mens zijn voltooiing – “ipsa assumptione creatur”? Via het hart en de ziel van de leraar?

Robert Chaves is sinds 1947 priester in Avignon. In de stad is hij achtereenvolgens gedurende meer dan vijftig jaar kapelaan, aalmoezenier van jongeren, pastoor en vicaris voor de cultuur. Vanaf het begin helpt hij als ingezetene van de stad de toneelgezelschappen met kleine diensten en raadgevingen. Hij raakt bevriend met bestuurders en deelnemers aan het jaarlijkse toneelfestival. Hij werkt met een groep leken in Foi et Culture. In de marge van het festival organiseert hij colloquia, optredens van christelijke kunstenaars en de hoogmis in de kathedraal. Hij neemt dus deel, organiseert bescheiden en treedt in dialoog met acteurs.

Veel priesters waren werkzaam in de wereld van de wetenschap. Natuurlijk zijn er onder hen theologen, exegeten, patrologen, liturgisten, kerkhistorici, moralisten. Zij werken dag en nacht aan universiteiten, seminaries en studiehuizen en worden beziggehouden door de “gewijde” wetenschappen. Nogal wat anderen laten hun leven vullen door studie op natuurwetenschappelijk, wijsgerig, taalkundig of sociaal-economisch terrein. Ook zij werken met hart en ziel en in een steeds intensere dialoog met hun lekencollega’s aan de ontwikkeling van hun vak. Hun deskundigheid staat borg voor kwaliteit. Allen leven “omwille van het rijk der hemelen”: in dienst van een schepping die door ons mensen mag worden voltooid, onderworpen en vruchtbaar gemaakt.

Een pastoor begon ooit een studie in de musicologie en promoveerde cum laude. Vanuit zijn pastorale activiteiten blijft hij zijn kennis en kundigheid cultiveren. Door zijn passie voor de muziek blijft ook zijn celibatair bestaan leefbaar. Zonder deze cultuur zou ook zijn pastoraat verschralen. Via zijn cursussen, jury’s, organiserende comités, maar vooral door eigen deelname aan de muzikale praktijk biedt zijn pastorale werk een perspectief van diepe menselijkheid.

Een monnik is een man Gods, maar ook zijn celibaat wordt verrijkt door een zuiver culturele component. Dankzij een vroegere literaire vorming kan hij de poëzie van grote dichters als Ida Gerhardt smaken en aan anderen uitleggen. Zo’n analyse kan leiden tot een beter begrip van het Woord Gods in de Bijbel, maar voor ons ligt het argument aan de strikt culturele zijde: wie zich met hart en ziel wijdt aan een culturele activiteit – elke activiteit die de wereld humaniseert – staat naar het rijk der hemelen gekeerd en maakt het celibaat creatief. De dialoog met de lezer voegt hieraan een menselijk gegeven toe.

Een religieuze broeder heeft zijn hele leven doorgebracht in de verpleging van psychiatrische patiënten. Deze zorg heeft zijn celibaat volledig vervuld. Zelfs na zijn pensioen blijft hij wonen in het paviljoen waar hij zijn leven lang gewerkt heeft. Zijn liefde voor de zieken was blijkbaar mateloos.

In al deze gevallen gaat het niet om een leegte die gevuld wordt met wat men “goede werken” noemt, maar om efficiënte humanisering. Deze maakt wezenlijk deel uit van de vergoddelijking waarvan Genesis 1,28 en Kolossenzen 1,15-20 spreken. Wat in onvrijwillig celibaat gewoon is, de humanisering van de aarde in welke vorm dan ook, heeft eveneens een wezenlijke plaats in het celibaat omwille van het Koninkrijk. Gebeurt dat niet, dan gaat het celibataire leven ontsporen, het gaat kraken in zijn voegen, of er zeker onverzorgd uitzien.

De pastoor die op zondag tot zijn parochiegemeenschap zegt: “Ite, missa est”, geeft haar een zending voor de week. Maar die zending geeft hij ook zichzelf; hij mag zich niet terugtrekken op een heilige wolk. Zelfs de pure contemplatief of de kluizenaar in zijn isolement zal, zij het in beperkte mate, vakwerk afleveren, niet slechts als tijdverdrijf of als vrucht van kostwinnerschap, maar als teken van het hartelijk engagement voor het mensenbedrijf. Ook zijn of haar existentie is rentmeesterschap.

De voorbeelden mogen aantonen hoe de steun van heel menselijke activiteiten sterk bijdraagt tot de mogelijkheid van een vrijwillig celibaat: zij “katalyseren” het. Zonder dergelijke activiteiten lijkt het celibaat heel moeilijk, omdat er een grote afstand blijft tussen het dagelijkse leven en het ideaal van het rijk der hemelen. “Wie een engel wil zijn, wordt een beest”, zei Pascal reeds. Rond 1530 wees de dichteres Anna Bijns in haar Refereinen heel scherp op de corruptie en het gebrek aan cultuur bij priesters en religieuzen. Door haar werk als “boerde” en “wijvenwerc” te bestempelen, bevestigden dezen – aan de vooravond van de reformatie in Nederland – het verval in de kerk, de ziekte in hoofd en leden.

 Leven ingebed

Vanuit de Professor Van der Leeuwstichting werd reeds in 1988 gesuggereerd dat een kerkgebouw alleen zou worden verhuurd aan activiteiten waarvoor “voorbede” kon worden gedaan. Zo past een boekenmarkt of een concert beter in een vroegere kerk dan een dansfeest of een bokswedstrijd. Er bestaat een verband tussen bidden en cultureel handelen. Gebed hangt immers niet in de lucht. Geloof en cultuur liggen in elkaars verlengde, verwijzen naar elkaar. Zeggen ze samen niet iets wezenlijks over het Verbond en bestaat er niet een wisselwerking tussen vermenselijken van de wereld en zoektochten naar God?

In het gebedsleven van Pierre Favre (1506-1546) bestond een sterke band tussen de “devotie” en het profane, dat er vlak onder ligt. Favre leefde nog in een wereld waarin het sacrale en de mensengeschiedenis met elkaar vermengd waren, waarin het geringste plotseling belangrijk kon worden en het belangrijke alledaags, waarin hemel en aarde elkaar leken te raken. Telkens wanneer hij op zijn reizen door een bepaald gebied trok, trad hij in contact met het specifiek plaatselijke sacrale. Spanje, Catalonië, Frankrijk, Savoye, Vlaanderen, het Rijnland hadden ieder hun steden met lokale patroons en met hun particulariteiten. Zo beschrijft hij in zijn dagboek op 14 augustus 1542 een voorbereiding van 15 augustus:

 “Bij de eerste vespers van Maria-Tenhemelopneming ervoer ik veel devotie en grote geestelijke ontroering in de Onze-Lieve-Vrouwkathedraal van Spiers, waar ik was: de plechtigheden, het licht, het orgel, de zang, de pracht van de relieken en van de versiering gaven mij een zo diepe devotie dat ik ze niet kan uitleggen. Onder die bewegingen zegende ik hem die de kandelaars had gebracht, en aangestoken, en opgesteld, en die daartoe geld had gegeven. Op dezelfde manier betreffende het orgel, de organist en de weldoeners; op dezelfde manier betreffende de versiering die klaarstond voor de plechtigheden, het koor, de zang en de zangertjes; op dezelfde manier voor de relieken, hen die ze waren gaan halen of die ze hadden gevonden, en daarna versierd. (…) Ik ervoer ook dat Christus onze Heer vol barmhartigheid en goedheid is voor allen en voor elk van hen die iets van zichzelf in zijn plechtigheden aanbrengen, uit het werk van hun handen of van hun geld, of in hun opdracht, of anderszins.” (Memoriale 87)

 Net als Pierre Favre bedoelen wij dus niet uitsluitend het vraaggebed. Het gaat om het met hart en ziel zoeken van God, alleen, in gemeenschap, in elke ontmoeting en in heel de “omgeving” van de mens, in al wat volgens Genesis 1,28 aan de mens onderworpen mag worden: dingen, verschijnselen, feiten, historie, taal, mogelijkheden. Wij verwijzen naar Ignatius’ ervaring in Manresa en naar de nummers 4-15 van het tweede decreet van de laatste Algemene Congregatie over “een vuur dat aanstekelijk werkt”. Nadat de voorlaatste Algemene Congregatie in het decreet over de maagdelijkheid in nr. 32 de individuele jezuïet er al op gewezen had “dat hij erop lette dat hij zijn gevoelens en zijn creativiteit op een eigen manier kan uiten en een zekere gevoeligheid ontwikkelt voor de prachtige prestaties van de mensheid inzake kunst, literatuur, muziek, enz.”, leert de 35e Algemene Congregatie dat de werkelijkheid daar aan de Cardoner voor Ignatius doorzichtig werd en hij God in alles aan het werk zag. Beschouwend in de wereld staande krijgen wij de mogelijkheid om goddelijk leven te vinden te midden van alle gebeuren. In de wereld ontdekken wij de sporen van God en kunnen wij Hem steeds meer present stellen. “Geen enkele werkelijkheid is voor wie weet te zien, louter profaan” (d. 2, nr. 10). In ons gebed beschouwen wij de Heer in zijn verstandhouding met de Vader, maar ook als gezondene naar de mensheid; het gaat om de spanning tussen mystiek en dienstbetoon. “De genade die wij als jezuïeten ontvangen is met Hem te zijn en te gaan, de wereld te zien met zijn ogen en haar met zijn hart lief te hebben, en haar diepten te betreden met zijn grenzeloze mededogen” (d. 2, nr. 15).

 Besluit

Als wij het goddelijk leven zoeken te midden van alle gebeuren, dan kan de celibaatsgelofte in kwaliteit groeien aan alles wat mens of menselijk is. Zij hoeft niet slechts te bestaan in trouw aan een gegeven woord. Ja, zij moet rijpen aan de culturele stam. Wat enerzijds belofte en jenseitig is, krijgt anderzijds gestalte in ontmoeting van mensen en vermenselijking van de schepping. Zoals François Varillon het uitdrukt: “Door te humaniseren doe ik aan vergoddelijking” en “Christus vergoddelijkt onze vermenselijkende activiteit”.

Vrijwillig celibatairen zijn net zoals alle andere mensen op weg naar de Overzijde. Zij zoeken professioneel en met hart en ziel het rijk van God, bouwen eraan en verkondigen het. Celibaat berust op een belofte, op cultureel engagement en op intens gebed. Dát heet in Matteüs 19,12 “omwille van het rijk der hemelen”. Als het celibaat niet goed wordt onderhouden, dan kan dat liggen aan een gebrek aan verlangen naar God of een gebrek aan vertrouwen op Hem. Maar men zou ook kunnen zoeken in de richting van een oppervlakkig, ondeskundig of onvolledig engagement in de zaak der mensen – eigenlijk een gebrek aan cultuur.

Print Friendly, PDF & Email