Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Geestelijke Oefeningen - Geschiedenis / Hoe staan wij in de Kerk? Ignatius’ omgaan met kerkelijkheid

Hoe staan wij in de Kerk? Ignatius’ omgaan met kerkelijkheid

Redactie Cardoner on 02/11/2020 - 8:40 pm in Geestelijke Oefeningen - Geschiedenis

door Henk Witte

Kerkelijkheid roept geladen situaties op. Hoe gaan wij met die spanning om? Tijdens begeleidingsgesprekken komt de kerkelijkheid van de retraitant ter sprake. En hoe staan begeleiders zelf in de Kerk? Welke beweging tekent zich in hun biografie af: een groei naar de Kerk toe, of juist van de Kerk weg of misschien aan de Kerk voorbij, op zoek naar andere vormen van bemiddeling van het heilige?

 Aan het eind van de Geestelijke Oefeningen geeft Ignatius een achttiental richtlijnen “met het oog op de waarachtige gezindheid die wij in de strijdende Kerk moeten hebben” (GO 352-370). Het sentire cum Ecclesia, de ignatiaanse waarde van het “meevoelen met de Kerk”, vindt hier een van haar bronnen. Die waarde is bij Ignatius een accolade om al wat kerkelijk is. Het gaat hem niet om een bepaald begrip van de Kerk of een bepaald kerkelijk beleid, maar om de houding of het aanvoelen (sentido) waarmee wij in de Kerk staan.

Wie enigszins vertrouwd is met het kerkelijke landschap in Nederland en Vlaanderen weet hoe groot de impact van de individualisering is op het kerkelijk leven en op de waarden waarvoor de kerken staan. Mensen geven zelf vorm aan hun religiositeit en spiritualiteit. Ze bepalen zelf hoe zij met de Kerk omgaan. Dat strookt lang niet altijd met wat de Kerk verwacht. Kerkelijkheid roept geladen situaties op. De vraag is dan hoe wij moeten omgaan met die spanningen. Is het niet aantrekkelijker om ze te vermijden en de Kerk te laten voor wat zij is? Het gaat uiteindelijk toch om het heil van individuele mensen, om de redding van hun ziel, zoals Ignatius stelt in het Uitgangspunt en fundament van de Geestelijke Oefeningen (GO 23)?

In Ignatius’ tijd was de bedding van de oefeningen vanzelfsprekend katholiek, ook al was het in de Kerk van zijn tijd allesbehalve pais en vree. Of hij ons zou volgen in de neiging om de Kerk maar liever niet aan de orde te stellen, is nog maar de vraag. Waarschijnlijk had hij dan geen richtlijnen over de omgang met de Kerk opgesteld. Wat kunnen wij leren van zijn regels? Op welk spoor zet Ignatius ons? Ik zal om te beginnen enkele gedachten uitwerken over de betekenis van het begrip sentire. Vervolgens ga ik in op het feit dat Ignatius niet in het algemeen over de Kerk spreekt, maar haar nader typeert als “de strijdende Kerk”. Ten slotte zoom ik in op enkele richtlijnen in het bijzonder.

Sentire

Sentire heeft bij Ignatius betrekking op een diep aanvoelen van spirituele aard. Het speelt zich af op het terrein van onze diepere affectiviteit, niet op het meer oppervlakkige niveau van de emoties. Ignatius gebruikt sentire niet alleen voor de manier waarop we in de Kerk staan, maar ook in verband met het zoeken van de wil van God. Zo besloot hij in 1547 een brief aan de Jezuïeten in het Spaanse Gandia over de betekenis van de gehoorzaamheid als volgt: “Moge Hij (= God) in zijn oneindige en soevereine goedheid ons zijn volmaakte genade geven, opdat wij zouden mogen aanvoelen wat zijn meest heilige wil is en hem volledig volbrengen.” Er zijn meer voorbeelden uit de geschriften van Ignatius bekend.

Dat aanvoelen is kenbaar uit de affectieve nasmaak van onze ervaringen. Globaal verdeelt Ignatius de vormen van die nasmaak over de bekende categorieën van troost en troosteloosheid. Ze hebben zowel een verstandelijke als een affectieve verschijningsvorm. Onderscheiding betreft precies het leren luisteren naar die diepere bedding om te bevestigen van wat mensen goed doet en afstand te nemen van wat hen geen goed doet.

Op verstandsniveau doet troost zich voor als begrip, openheid, doorstroming in de communicatie, inzicht, zien. We ervaren antwoord op de vragen waarmee we worstelen. Affectief meldt vertroosting zich als vreugde, volheid, verlangen, kracht, rust, zachtheid, enthousiasme. Troosteloosheid manifesteert zich verstandelijk als verwarring, chaos, verstrooiing, afdwalen, onbegrip of communicatiestoornis en affectief in de vorm van bitterheid, ineenkrimpen, verdriet, verharding, afkeer, innerlijke kou, onrust of ongemak. Troost en troosteloosheid zijn volgens Ignatius ook te merken aan vermeerdering of vermindering van geloof, hoop en liefde (GO 316-317). Ook groeien in gemeenschap of juist uiteengroeien zijn signalen ervan.

Ignatius gebruikt “innerlijke kennis” (cognoscimiento interno) als alternatief van wat hij met sentire op het oog heeft. Dat doet hij bijvoorbeeld in de tweede inleiding van de beschouwing om tot liefde te komen (GO 233). Het begrip valt in de vraag wat ik van de meditatie verlang. Hier is dat “innerlijke kennis van zoveel goeds dat ik ontvangen heb”. Ook in de beschouwing over de menswording op de eerste dag van de Tweede Week komt de term “innerlijke kennis” voor in de vraag “wat ik verlang”. In dit geval is dat “innerlijke kennis van de Heer, die voor mij mens is geworden” (GO 104). Zo gaat het in het sentire cum Ecclesia voor Ignatius in de eerste plaats om innerlijke kennis van wat de Kerk is. Voor hem is zij “de ware bruid van Christus onze Heer, onze heilige Moeder, de hiërarchische Kerk”, zoals hij zegt in de eerste richtlijn over onze omgang met de Kerk (GO 353). De volgorde van deze drie kerktyperingen is relevant. Ignatius wijst allereerst met behulp van de bruidsmetafoor op de gemeenschap met wie Christus zich verbonden heeft. Vervolgens noemt hij de moederlijke betekenis van die gemeenschap voor ons. Eerst dan verwijst hij naar de zichtbare kant en de inrichting van de geloofsgemeenschap. Het gaat Ignatius eerst om de relatie van Christus met de Kerk, vervolgens om haar functie ten opzichte de gelovigen en als derde noemt hij haar institutionele kant.

Het begrip “innerlijke kennis” heeft wortels in de mensvisie en de mystiek van de Middeleeuwen. Een mens heeft zijn grond in een relatie. Hij/zij wordt bemind. Innerlijke kennis is het besef waarin dat doordringt en beschouwd wordt. Zo staat Ignatius in de traditie van de middeleeuwse mystici en van de Moderne Devotie. Ook Thomas van Aquino had hier weet van. Hij kreeg op een gegeven moment de vraag of theologie een zaak van wijsheid of van wetenschap is. Ten antwoord wijst hij op het verschil tussen wetenschap en wijsheid. Want wijsheid is een gave. Zij is “ingestort” (per infusionem), om niet verkregen, terwijl wetenschap verworven is. Het zijn twee verschillende vormen van kennis. Daarmee corresponderen volgens Thomas ook twee manieren om tot een oordeel te komen. Dat kan namelijk door een aanvoelen van binnenuit, een inclinatio of neiging die zich gaandeweg zal ontwikkelen tot een houding, of door kennis van zaken (cognitio), verworven op basis van studie (instructus). Voor Thomas berust het aanvoelen van binnenuit uiteindelijk op de affiniteit van onze diepere binnenkant met het goddelijke. Thomas noemt die affiniteit connaturaliteit, een term die wijst op de verwantschap van nature tussen God en mens (Summa theologiae, II, II, q.45, a.2).

Innerlijk aanvoelen kunnen wij niet maken of produceren, maar alleen ontvangen. Ignatius bevestigt dat in het begin van de beschouwing om tot liefde te komen, als hij spreekt over het verlangen naar “innerlijke kennis van zoveel goeds dat ik ontvangen heb” (GO 233). De punten ter overweging maken duidelijk wat hij met dat ontvangen goeds bedoelt, namelijk “schepping, verlossing en persoonlijke gaven aan mij” (GO 234). “Kijken hoe God woont in de schepselen: in de elementen door ze het bestaan te geven, in de planten door ze te doen groeien, in de dieren door ze te doen voelen, in de mensen door hun verstand te geven.” Zo geeft hij ook mij het bestaan, bezielt hij mij, doet hij mij voelen en geeft hij mij verstand (GO 235). Ja, God zwoegt voor mij in alle geschapen dingen (GO 236) en doet al het goede en alle gaven van boven neerdalen (GO 237).

Militante

De titel bij het nummer GO 352, aan het begin van de richtlijnen over de omgang met de Kerk, vermeldt het woord “strijdend” (militante) voor “Kerk”. Twee motieven spelen op de achtergrond van deze nadere typering van de Kerk.

Dat is allereerst de uitdrukking militare Deo, strijden voor God. Het was een klassieke typering van het religieuze leven. De uitdrukking gaat terug op de Vulgaatvertaling van het begin van 2 Timoteüs 2,4: Nemo militans Deo implicat se negotiis saecularis: “Niemand in (actieve krijgs-) dienst van God laat zich in met wereldse zaken”. Wie in de Griekse tekst kijkt of een hedendaagse vertaling raadpleegt, zal tevergeefs zoeken naar het woord “God”. “Iemand die in krijgsdienst is, laat zich niet afleiden door het leven daarbuiten, want zijn bevelhebber moet tevreden over hem zijn,” aldus de Nieuwe Bijbelvertaling. De Vulgaatvertaling gaat uit van de veronderstelling dat God die bevelhebber is. Deze strijdterminologie is in orderegels, zoals die van Augustinus en Benedictus, terecht gekomen. Zij wees op de strijd in het leven van een christen tussen de macht van het Goede en de macht van de Boze, tussen humaniteit en inhumaniteit. Bij Ignatius is dat de strijd tussen Christus en “de doodsvijand van onze menselijke natuur” (GO 136). Onderscheiding en keuze hebben alles met deze strijd te maken.

Bij Ignatius is die strijd niet tot het individu beperkt. Door de Kerk een strijdende Kerk te noemen staat het individu in een bredere bedding waarin het eveneens om strijd gaat. In dat perspectief moet een opmerking van Ignatius in GO 177, waar het gaat over de derde tijd om een gezonde en goede levenskeuze te maken, gezien worden. Welke levenswijze of levensstaat men ook kiest, dat dient volgens Ignatius een middel te zijn om de Heer te loven en te dienen en de ziel te redden. Ignatius voegt echter nog iets toe. Die levenswijze, zegt hij, “kiest men als middel en binnen de grenzen van de Kerk”. Zijn opmerking is niet te verstaan als een voorschrift, alsof een levenskeuze alleen maar mag overeenstemmen met de modellen die de Kerk voorhoudt. De opmerking betreft veeleer het kader waarin de gekozen levenswijze thuishoort: een verband van strijdmakkers, een compagnie. Het gaat er in de keuze van een levenswijze niet om om mensen de Kerk in te praten. Het gaat erom hen bewust te maken van het feit dat zij niet alleen staan in hun strijd. Zij hebben lotgenoten, medestrijders. Zij staan in een solidariteitsverband.

In Ignatius’ tijd heette dat solidariteitsverband vanzelfsprekend “Kerk”. Voor hem viel de existentiële ervaring van deze solidaire saamhorigheid samen met de institutionele verbondenheid met de katholieke Kerk. Buiten haar grenzen trof men ongelovigen, ketters of scheurmakers aan, maar zij golden niet als leden van dezelfde gemeenschap. Thans erkent de katholieke Kerk dat er kerkelijke verbondenheid is buiten haar grenzen en staat zij welwillend ten opzichte van de betekenis van andere godsdiensten voor het heil van hun aanhangers. Is het daarom niet zaak om degenen die we begeleiden, allereerst bewust te maken van de solidariteitsverbanden waarin zij staan, van hun “medestrijders” en geestverwanten? De vraag of en in hoeverre Christus zich heeft verbonden met dat verband en in hoeverre het in institutionele zin om Kerk gaat, mogen we, mijns inziens, overlaten aan de Heilige Geest.

Op de achtergrond van de typering van de Kerk als strijdend speelt nog een tweede motief. Het bijvoeglijk naamwoord militans komt eerst vanaf de tweede helft van de twaalfde eeuw als nadere bepaling van het Kerk-zijn in zwang. Men dacht toen over de Kerk op aarde vanuit de “triomferende Kerk” in de hemel. Nadruk valt op het strijdend karakter van het Kerk-zijn op aarde en de beloning die in de hemel wacht voor wie die strijd met succes voeren. Volgens Yves Congar zag men vóór de twaalfde eeuw de Kerk vooral als een pelgrimerende Kerk. Als echter de kruistochten beginnen en binnen de Kerk strijd gevoerd wordt over het ware geloven, gaat strijdmetaforiek volgens hem de pelgrimsmetaforiek vervangen. Militans neemt de plaats in van perigrinans (Congar, 103). Recent onderzoek plaatst vraagtekens bij deze conclusie, omdat de typering van de Kerk als pelgrimerend maar weinig voorkomt in literatuur uit het eerste millennium en pelgrimeren als “vervreemding” werd verstaan. Een peregrinus was een vreemdeling, zonder burgerrecht en onwetend. Eerst het Tweede Vaticaans Concilie heeft het pelgrimeren positief op de Kerk betrokken, als tocht door de tijd met haar wederwaardigheden en als tocht naar hemelse voltooiing.

Ignatius kwam uit een militaire achtergrond. De laatste kruistocht, een Spaanse, werd kort na zijn geboorte beëindigd met de val van Granada in 1492. Hij was bekend met het strenge identiteitsbeleid van de katholieke koningen. In zijn autobiografie neemt Ignatius de pelgrimsmetaforiek op als typering voor zijn spirituele reis, maar in het geval van de Kerk horen Kerk en strijd voor hem bij elkaar. Hoe wij met strijd moeten omgaan, vooral als zij zich binnen de Kerk voordoet, heeft hij, mede op grond van zijn ervaringen, uitgewerkt in de richtlijnen.

De richtlijnen

Het is bekend dat Ignatius de eerste 13 van de 18 richtlijnen heeft geschreven tijdens zijn studietijd in Parijs, vóór hij met zijn vrienden in 1535 op weg gaat naar Jeruzalem. Vernieuwingen in de geest van Erasmus of Luther hadden gezorgd voor de nodige conflicten in de Kerk. Ignatius was zelf met de inquisitie in aanraking geweest, verdacht van illuminisme, een stroming die geloofde genoeg te hebben aan de verlichting door de Heilige Geest en de institutionele Kerk niet nodig had. Inhoudelijk gaan de eerste richtlijnen over zaken die toen omstreden waren, vooral uiterlijke praktijken als veelvuldig mishoren (GO 355), religieus leven (GO 356 en 357) en verering van relikwieën en heiligen (GO 358). De tweede serie richtlijnen (14-18) heeft Ignatius later in Rome geschreven. Zij gaan vooral over thema’s uit de botsing tussen Catholica en Reformatie, zoals voorbestemming (GO 366 en 367) en de rol van genade, goede werken en de vrije wil (GO 369).

Inhoudelijk zijn de meeste richtlijnen niet meer actueel; de houding die Ignatius aanbeveelt ten aanzien van datgene wat in de Kerk spanning en conflict oproept, is dat wel. Negen van de achttien regels beginnen met “Met achting spreken over”. In de zesde en de zevende richtlijn staat deze uitdrukking zelfs twee maal. Soms geeft Ignatius met andere woorden te kennen wat hij bedoelt. Hij wil niet dat we anderen tot dwaling (GO 367), laksheid of luiheid in hun geloofspraktijk (GO 367, 368) aanzetten of hun vrijheid aantasten (GO 369). We moeten er dus vooral op letten hoe we bepaalde onderwerpen behandelen en aan anderen voorhouden (GO 366).

Het voorzichtige “met achting spreken over” wijst op een respectvolle distantie ten opzichte van omstreden kwesties. Er is geen sprake van identificatie met een bepaald standpunt of een bepaalde stroming. Er is evenmin sprake van minachting. Ignatius schuwt eenzijdigheid en overdrijving. Hij wil niet voortijdig oordelen, het gesprek open houden, ontwikkelingen afwachten en verschillende bijdragen op hun merites waarderen.

Een goed voorbeeld is de elfde richtlijn (GO 363) over de betekenis van de positieve en de scholastieke theologie. De positieve theologie was in Ignatius’ tijd het erfgoed van de kerkvaders uit de eerste eeuwen van het christendom als Hiëronymus, Augustinus en Gregorius. De scholastieke leraren zijn van later. Voor Ignatius zijn ze moderner. Als vertegenwoordigers noemt hij Thomas van Aquino, Bonaventura en “de Meester van de Sententiën”, Petrus Lombardus. Ignatius staat op het standpunt dat wij met achting moeten spreken over beide stromingen. Ze hebben ieder eigen kwaliteiten. Zoals het de oude meesters “meer eigen is om het gemoed te bewegen met de bedoeling in alles God onze Heer lief te hebben en te dienen”, zo is het eigen aan de scholastieke theologen om te verduidelijken wat noodzakelijk is voor het heil en om dwalingen en misleidingen te bestrijden. Zo verbindt Ignatius in deze richtlijn de twee bronnen van ons kennen die noodzakelijk tot een harmonieuze afstemming moeten komen wil een besluit of een keuze kloppen: hart en hoofd.

Leidt de houding van respectvolle distantie echter niet tot een onkritische en slaafse volgzaamheid? Men zou haast denken van wel bij het lezen van de dertiende richtlijn lezen (GO 365). “Om in alles trefzeker te zijn moeten wij er ons altijd aan houden te geloven dat wat ik als wit zie, zwart is als de hiërarchische Kerk het zo bepaalt.” Uit deze opmerking lijkt wantrouwen te spreken over de eigen waarneming, terwijl het formele gezag van kerkelijke autoriteiten klakkeloos gevolgd lijkt te moeten worden. De opmerking houdt echter verband met de controverse destijds over de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in de eucharistische gaven van brood en wijn. Daarin ging het immers om de waarheid van een werkelijkheid die zich empirisch anders aan ons voordoet. Op zich was Ignatius niet wantrouwig ten opzichte van onze zintuiglijke waarneming. Hij weet dat ze onze verbeelding voedt en zet de verbeelding in om de diepte van onszelf en het Godsgeheim te verkennen, zoals blijkt uit de vele malen dat een meditatie begint met de uitnodiging om een voorstelling te maken. Maar Ignatius is ook kritisch. De vijand van de menselijke natuur kan ons immers op een dwaalspoor brengen in onze mooie ervaringen en inzichten.

In een kanttekening in diezelfde dertiende regel wijst Ignatius erop dat het een en dezelfde Geest is die zowel ons bestuurt en onze ziel naar het heil leidt als de Kerk leidt en bestuurt, in beide gevallen “in Christus”. Uiteindelijk, zo geeft hij daarmee aan, is het niet denkbaar en niet te verwachten dat Christus en zijn Geest ons ergens anders heen zouden leiden dan de Kerk. Maar dan is wel wederzijdse afstemming aan de orde: zowel van de Kerk op wat in de ziel van mensen gebeurt als van de ziel op datgene waarom het gaat in het Kerk-zijn. Die afstemming begint met verkenning in een sfeer van achting en respect.

Besluit

Als het om onze omgang met kerkelijkheid gaat, raadt Ignatius aan om vanuit de diepte in onszelf respectvol mee te voelen met waar het in de Kerk om gaat. Hij is ervan overtuigd dat Christus en de Geest in haar aan het werk zijn, zoals zij ook aan het werk zijn in de ziel. Christus heeft zich immers met de Kerk verbonden als zijn bruid. Zij heeft een moederlijke rol en blijkt een compagnonschap van medestrijders, een solidariteitsgemeenschap van geestverwanten. Het is met die gemeenschap dat Christus zich verbonden heeft en zich verbinden blijft. Spanningen over kerkelijkheid kunnen flinke weerstand bij ons wekken. Niettemin raadt Ignatius ons aan om er “met achting” over te spreken.

 

Henk Witte is emeritus-hoogleraar op de Xaverius-leerstoel voor spiritualiteit en theologie aan de Tilburg School of Catholic Theology. Het betreft een bewerkte versie van een inleiding die hij hield op een vormingsdag voor begeleiders.

Print Friendly, PDF & Email