Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Geestelijke Oefeningen - Begeleiden / Het verlangen bemind te worden leidt tot de wil om te dienen: jonge mensen begeleiden.

Het verlangen bemind te worden leidt tot de wil om te dienen: jonge mensen begeleiden.

Redactie Cardoner on 05/02/2012 - 9:49 pm in Geestelijke Oefeningen - Begeleiden, Ignatiaanse spiritualiteit

door Bernard Mendiboure S.J.

De cultuur waarin wij leven draagt het stempel van de technologie. Ze streeft ernaar te voorzien in onze behoeften. Daartoe “ontleedt” ze de werkelijkheid, terwijl het zoeken naar zingeving toch vraagt om een “synthese”. Zo schrijft Juan Cristóbal Beytía S.J.:

 “Het is nog maar kort geleden dat wie brood op tafel wilde hebben een aantal maatschappelijke handelingen moest verrichten. Eerst moest er koren worden gezaaid of op de markt worden ingeslagen. Daarna moest dit thuis worden gemalen. Men ging hout hakken; anderen gingen het deeg kneden. Men stak de oven aan en wachtte geduldig tot men het warme brood eruit kon halen. Tegenwoordig gaat men naar de supermarkt, waar op ieder ogenblik brood voorhanden is en een winkelbediende u bij uw komst vriendelijk verwelkomt. Of als u dat liever hebt, kan men het brood ook op het internet kopen en thuis laten bezorgen. Een ander voorbeeld: nog niet lang geleden moest men om de vijfde symfonie van Beethoven te beluisteren naar het stadsplein of het stedelijk concertgebouw gaan waar een groep mensen binnen een orkest, na veel oefening om ritme en noten op elkaar af te stemmen, in de weer was. Tegenwoordig kan men die symfonie beluisteren waar men maar wil, op ieder willekeurig moment, glashelder, uitgevoerd door de beste orkesten van de wereld, waarvan de spelers soms al jaren geleden zijn gestorven” (CIS-Revue de spiritualité ignatienne, 117 [2008], blz. 20-21).

 Hiermee wil ik de achtergrond schetsen waartegen ons leven zich tegenwoordig afspeelt – en die voor een groot deel op ons zijn stempel heeft gedrukt. Ik zeg: op ons, en niet alleen op de jeugd met wie wij te maken hebben. Maar het gaat hier over de jonge mensen. Hun goede hoedanigheden zijn onloochenbaar, waardoor wij hen sympathiek vinden, vooral omdat wij als opvoeders er diep van doordrongen zijn dat we, met Ignatius, bij anderen steeds moeten uitgaan van het goede. Het betreft met name karaktereigenschappen van de jonge mensen met wie wij te maken hebben in onze verschillende ignatiaanse jeugdnetwerken. In het algemeen zien jongeren de toekomst optimistisch tegemoet. Aristoteles vond dit kenmerkend voor hen, en volgens hem was het daarom niet gemakkelijk om hen moraalfilosofie te onderwijzen. Ook al is het waar dat tegenwoordig een aantal onder hen de moed dreigt te verliezen, toch kan men niet beweren dat dit voor de hele groep zou gelden. Op het eerste gezicht krijgt men de indruk dat goede moed, zorgeloosheid, een zekere onbevangenheid tegenover de toekomst, gepaard met oprechte edelmoedigheid de grondtrekken zijn van een “profielschets van de jeugd” – en niet alleen in Aristoteles’ tijd. Dit gaat in het bijzonder op voor jonge mensen uit meer bemiddelde kringen waarmee wij in onze netwerken te maken hebben. Maar ik denk dat dit ook opgaat voor de jeugd in het algemeen, ook al zijn in onze zo sterk onderling verweven wereld velen zich meer dan ooit bewust van de onvermijdelijke moeilijkheden waarmee ze te maken zullen krijgen, als ze goed willen leven.

Deze eerste schets kan misschien idealistisch en zelfs naïef lijken; mocht dat zo zijn, dan betekent dit dat de auteur ervan nog jong is. In ieder geval bedoel ik er niets neerbuigends of ongunstigs mee te zeggen over de jonge mensen. De schets heeft waarschijnlijk meer weg van de Bijbelse opvattingen van de wijze Kohelet,die zo een helder inzicht heeft in veel dat de mensen beweegt, zonder de mismoedigheid die hem maar al te vaak wordt toegeschreven (“Er is niets nieuws onder de zon…”). In plaats van de jeugd van zijn tijd als een strenge zedenmeester de les te lezen, spoort hij hen aan tot blijdschap en zegt dat ze vooral niet de Schepper mogen vergeten, die de bron is van alle vreugde.

 “Jongeman, geniet van je jeugd en neem het ervan zo lang je nog jong bent. Doe wat je hart je ingeeft en naar je eigen visie. Maar besef dat God je over alles rekenschap vraagt. Zet alle zorgen van je af en houd alle kwalen van je lijf, want jeugd en ochtendlicht zijn zo voorbij. Eer je Schepper zolang je nog jong bent…” (Pr 11,9-12,1).

 Natuurlijk moet deze eerste schets van de goede hoedanigheden die kenmerkend zijn voor jonge mensen, aangevuld worden met andere, meer kritische trekken, die minder vleiend voor hen zijn, omdat ze wijzen op enkele van hun grootste tekortkomingen. Ik zal dat doen door gebruik te maken van J.C. Beytía’s beschrijving van de jongeren met wie hij te maken heeft in Chili, en die maar al te zeer doen denken aan de jonge mensen die we in Europa ontmoeten.

  “Ten gevolge van de globalisering vertoont de jeugd over de hele wereld steeds meer dezelfde trekken. Tegenwoordig is er meer gelijkenis tussen een jonge mens uit de hogere stand in een willekeurig land van Zuid-Amerika en een jongere uit de doorsnee hogere klasse van Europa of Noord-Amerika, dan tussen hem en een jongere van lagere komaf in zijn eigen land. Hetzelfde is ook van toepassing voor de jonge mensen uit de lagere standen: ze lijken in die verschillende landen veel meer op elkaar dan dertig jaar geleden. De mode, de smaak, liederen en criteria kennen tegenwoordig geen grenzen meer” (art. cit., p. 14).

 Een kleine opsomming van die zwakke punten:

– de jongeren hebben een gebrek aan belangstelling voor anderen en voor wat er omgaat in de samenleving; dat wordt natuurlijk in de hand gewerkt doordat de samenleving zeer individualistisch is;

– ze geven toe dat ze vooral met zichzelf en hun kleine kring bezig zijn: computer, chatten, televisie, mobieltje;

– ze omschrijven zichzelf als de generatie van het “onderbroken orgasme”, steeds op zoek naar een bevrediging die ze nooit vinden, omdat hun belangstelling voortdurend naar iets anders uitgaat;

– ze hebben de bescherming nodig van hun ouders en willen tegelijk onafhankelijk zijn; ze willen onafhankelijk zijn, maar zijn niet zelfstandig genoeg;

– het is een generatie met kortdurende en oppervlakkige “enthousiasmes”, een generatie die voortdurend “in connectie” staat, en die in zekere zin gedoemd is om succes te hebben, maar slechts zelden wordt gevraagd naar de aard van dat “succes”.

In wezen zijn ze, zoals Ignatius in zijn jonge jaren, vol goede moed en denken ze er niet aan dat ze eens zullen sterven. Ignatius wilde schitteren doordat hij vaardig wist om te gaan met  wapens, en dacht er niet aan dat hij daarbij misschien voortijdig het leven zou kunnen laten. Door gedichten en wapenfeiten wilde hij de hoge vrouwe verleiden van wie hij droomde (verving deze misschien in zijn verbeelding zijn moeder die hij had moeten missen?), om door haar bemind en bewonderd te worden. Hij heeft zelfs geprobeerd God naar zijn hand te zetten door zijn ascetische prestaties. Liefhebben, bemind worden is immers iets waarnaar ieder mens verlangt. Maar de geestelijke ervaring die de Heer hem in Manresa bijbracht, “zoals een schoolmeester lesgeeft aan een kind”, geeft aan hoe hij anders is gaan denken, hoe er zich in hem een omslag voltrok: zijn verlangen om bemind te worden, een geoorloofd verlangen dat aangeboren en natuurlijk is, maar nog te narcistisch was, veranderde in de wil om te dienen, dat wil zeggen om van zijn kant ook lief te hebben.

Zo kan men in het kort de weg beschrijven die Ignatius vanaf zijn jeugd gegaan is tot hij een gerijpte mens was geworden, een weg die als een fijne draad door de Geestelijke Oefeningen loopt en besloten wordt met de bede dat het hem gegeven mag worden om “in alles lief te hebben en te dienen” (233). Het is de genade waarom gebeden wordt in de laatste beschouwing van de Geestelijke Oefeningen, die “om tot liefde te komen”. Het is een wegschenken en een uitruil van vrijheid tussen de mens en zijn Schepper: “Neem, Heer, en aanvaard heel mijn vrijheid…” Uit erkentelijkheid voor al het goede en alle gaven die van boven neerdalen (GO 237) bied ik  mijn verlangen aan en mijn wil om in alles lief te hebben en te dienen. Een liefde “die zich meer moet uiten in daden dan in woorden” en bestaat in “wederzijdse mededeling” (GO 230-231). Een mededeling die bron van blijdschap is, want het is een vreugde de Schepper van al het goede te dienen. Is die blijdschap niet wat de wijze Kohelet zegt: “Jongeman, geniet van je jeugd en neem het ervan zolang je nog jong bent. Doe wat je hart je ingeeft en naar je eigen visie. Maar besef dat God je over alles  rekenschap vraagt”?

 Laten we niet te gauw denken dat die omslag van het verlangen om bemind te worden tot de wil om te dienen alleen betrekking zou hebben op jonge mensen, die aan het begin van hun leven staan. Ook bij mensen die reeds gevorderd zijn op de weg van de volmaaktheid kan dit besef doordringen, zoals bij Pierre Favre, een van de eerste gezellen van Ignatius, die van hem zei dat hij als een van de besten de Geestelijke Oefeningen wist te geven. Favre noteerde in zijn Geestelijk Dagboek:

 “Moge de almachtige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, mij het inzicht, de kracht en de wil schenken om ook deze twee genaden te zoeken en te vragen jegens God en zijn heiligen: dat zij mij mogen liefhebben en ik hen mag beminnen. Maar belangrijker nog zal voor mij zijn wat dit overtreft en edelmoediger is, en wat ik tot dusver minder heb gedaan: willen beminnen meer nog dan bemind willen worden. Ik zal er voortaan naar streven hun liever mijn liefde te laten blijken dan te wachten op een blijk van hun liefde; het bestaat uit hetgeen ik voor Christus en de naaste verricht, zoals Christus tot Petrus zei: ‘Hou jij meer van Mij dan die anderen? Weid mijn schapen.’ Zorg ervoor eerst Petrus te zijn alvorens Johannes te worden, die meer werd bemind en die zijn voorliefde genoot. Maar tot dusver heb ik Johannes willen zijn voordat ik Petrus was” (Memoriale).

 Wat in deze tekst opvalt is dat Favre zijn verlangen om bemind te worden in het geheel niet “verdringt”. Hij was een zeer gevoelig iemand. En hij vraagt aan de almachtige God hem twee genaden te schenken. Met verwijzing naar het Johannesevangelie geeft hij eenvoudigweg aan hoe zijn geestelijke ontwikkeling zich heeft voltrokken. Deze begon met het verlangen bemind te worden zoals “de geliefde leerling” (Johannes), en bracht hem tot het verlangen om actief lief te hebben, d.w.z. “werken te verrichten” uit liefde voor God en de naaste (zoals Petrus). Men kan Petrus niet stellen tegenover Johannes.

Wij begeleiden jonge mensen en willen hen helpen hun weg te vinden om als mens en in spiritueel opzicht te groeien. Met de vertrouwelijke mededeling die Pierre Favre ons doet over zijn geestelijke ervaring kunnen wij, denk ik, ons voordeel doen, want ze biedt ons als begeleiders een nieuw uitzicht. Ik heb de grondlijnen van de weg aangegeven met de woorden: “vanuit het verlangen bemind te worden naar de wil om te dienen”. Ik wil nu iets uitvoeriger over deze weg spreken en ga daarbij uit van de weg die Ignatius in zijn Geestelijke Oefeningen aangeeft. Het is immers niet toevallig dat Favre dankzij de begeleiding door Ignatius en de Geestelijke Oefeningen geleidelijk zijn weg heeft gevonden. Men kent het uitgangspunt van deze weg, namelijk het Fundament of de “nulfase” van de Oefeningen. De eerste fase is dan de ervaring van de genade van de verzoening met God of de Eerste Week van de Oefeningen. De tweede, voor ons de fase waarmee wij besluiten, is het luisteren naar Christus’ uitnodiging en de overweging van de geheimen van zijn leven om “Hem meer te beminnen en beter na te volgen”. Wij veronderstellen dat iedere fase een eigen soort begeleiding vereist, en misschien ook een bijzonder charisma van de begeleider.

Dienen is een sleutelwoord in de ignatiaanse spiritualiteit. Reeds in het begin van de Geestelijke Oefeningen is het bepalend voor de roeping van de mens: “De mens is geschapen om God onze Heer te loven, eerbied te bewijzen en te dienen, en aldus zijn ziel te redden” (23). Het woord liefhebben komt pas later in de Geestelijke Oefeningen, terwijl dit toch het “hart” van het dienen is. Het eerste woord is loven. Wij zijn geschapen tot lof van onze Schepper en Heer: omwille van hetgeen Hij is, en ook omwille van hetgeen Hij ons heeft gegeven. Om het bovennatuurlijke doel te bereiken dat bepalend is voor de roeping van de mens, heeft God niet nagelaten ons hulp te bieden: “Alle overige dingen zijn geschapen met het oog op de mens, om hem het doel te helpen nastreven waarvoor hij geschapen is” (23). De wereld is goed, en zelfs zeer goed (Gn 1), daar God ze immers aan de mens heeft geschonken om hem te helpen. “U hebt ons gemaakt voor U, Heer, en rusteloos is ons hart totdat het rust in U” (Augustinus). Ignatius zou daaraan kunnen toevoegen: “Ja, en om dat doel te bereiken moeten we gebruik maken van onze vrijheid (gebruik maken van de dingen die ons zijn geschonken; gebruik maken gaat vooraf aan zich losmaken). Onder die dingen wordt alle dagelijkse werkelijkheid verstaan: materiële zaken, maar ook de dingen die het sterkst een geestelijk karakter hebben, zoals sociale, politieke en economische zaken, liefde, vriendschap, menselijke relaties; “Wat geestelijk is, is het enige dat werkelijk reëel is” (Hegel). De mens is een geestelijk wezen, inderdaad, maar ook  “lijfelijk”: hij is geen engel, d.w.z. “een zuivere geest”. Om zijn doel te bereiken moet hij gebruik maken van de dingen die voor hem zijn geschapen, geschapen om hem te helpen. M.a.w. zich bedienen van de middelen, gebruik maken van zijn vrijheid. En ook al ontgaat ons het geheim van de “vrijheid” van de engelen waarover Ignatius ons in de Oefeningen spreekt, toch lijkt volgens hem hun zonde bijzonder veel op die van de zondige mens: ze is een tegenpool van het Uitgangspunt en fundament, “zij wilden hun vrijheid niet gebruiken om eerbied en gehoorzaamheid aan hun Schepper en Heer te betonen” (GO 50).

Maar laten we bij de mens blijven. Wat hem betreft, is over zijn roeping alles reeds in het eerste hoofdstuk van het boek der schepping gezegd (P. Beauchamp):

 “Wees vruchtbaar en word talrijk”: een liefde waarvan de volmaakte gestaltede huwelijksliefde is. “Mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.” Een groot geheim, zegt Paulus (Ef 5).

 “Bevolk de aarde en onderwerp haar”: arbeid die tot doel heeft de aarde bewoonbaar te maken, haar te vermenselijken. Zo mogelijk geweldloos, zoals God schiep…

 “En rust uit…” Dit wordt niet uitdrukkelijk gezegd, maar wel stilzwijgend bedoeld. Aangezien de Schepper van alle dingen op de zevende dag rustte van al het werk dat Hij verricht had en omdat de mens geschapen is naar zijn beeld en gelijkenis, moet ook hij ophouden met werken, om in zijn Schepper tot rust te komen, Hem te loven, te bezingen, vol vreugde het feest te vieren: het is de tijd dat er niets hoeft en men rust na de inspanning.

Zo ziet men in drie lijnen een portret geschetst van de mens, die geschapen is naar het beeld en de gelijkenis van God om… Geschapen, “criado” in het Spaans; volgens A. Demoustier zou men moeten vertalen: “opgevoed”, “ontbolsterd”. God is evenzeer de “opvoeder” als de schepper van de mens. Wij worden opgevoed “om God onze Heer te loven, eerbied te bewijzen en te dienen, en zo onze ziel (d.i. ons diepste zelf als beeld van God, lichaam, ziel en geest) te redden”.

Wij zijn opvoeders die in dienst staan van de jeugd, en we vragen ons af op welke wijze wij dit eerste punt, dit uitgangspunt, concreet kunnen maken. Men kan dit ook het nulpunt noemen en we bedoelen daarmee het Uitgangspunt en fundament van Ignatius, dat het doel van de mens bepaalt en spreekt over de middelen waarover deze beschikt om dat doel te bereiken. Ik verbeeld mij niet dat ik voor de begeleiding van jonge mensen pedagogische adviezen heb te geven, ik wil liever een hypothese voorstellen die steunt op de Geestelijke Oefeningen. Ze betreft drie mogelijke manieren waarop men een jeugdige bij zijn groei als mens en in geestelijk opzicht verder kan helpen.

1. De “opvoedende” begeleiding

Karakteristiek voor deze eerste vorm van begeleiding is dat ze steunt op de eigen dynamiek en eigenschappen van de jeugd (ook al kent deze medaille, zoals we reeds zagen, haar keerzijde). We noemden al: goede moed, groot optimisme, edelmoedigheid, meer betrokkenheid op het heden dan zorg voor de toekomst, weinig berekenend en “zaken serieus nemend” (wat vaak typisch is voor volwassenen; de Heer heeft immers tot zijn volgelingen gezegd: “Maak je niet bezorgd over hetgeen je niet in de hand hebt, kleingelovigen…” Lc 12). Men zou ook kunnen luisteren naar de parabel van de talenten (Mt 25): “Kom delen in de vreugde van je Heer” wordt gezegd tegen de eerste dienaars, die met het hun toevertrouwde geld winst hebben weten te maken en er dus blijk van hebben gegeven dat ze zich tot op zekere hoogte onafhankelijk voelden. Ze hebben geen bijzondere richtlijnen meegekregen, maar hebben initiatieven genomen, wisten van aanpakken. Wie liefheeft gaat zijn weg, is niet krenterig, begraaft zijn talent niet, zoals de derde dienaar. Jonge mensen zijn geroepen om hun vrijheid op het spel te zetten, om ervan gebruik te maken op de drie terreinen die Genesis 1 ons heeft aangeduid: 1. op het  gebied van het gevoelsleven, door een goede verstandhouding te hebben met de ander en met name met het andere geslacht (het Verbond en de volmaakte vorm daarvan, het huwelijk); 2. in arbeid en burgerschap door te werken voor het algemeen belang; 3. bij het rusten, door zich te houden aan het “sabbatgebod” en God, onze gemeenschappelijke Schepper en Heer, te eren en daarbij als broeders en zusters de vrije en om niet gegeven tijd te beleven in overweging en feestelijke viering.

Deze eerste vorm van begeleiding beoogt een jonge mens te helpen “man” of “vrouw” te worden. Is daarmee niet alles gezegd? Wat is er mooier dan te worden wat men is? Wat een mooi beroep heeft de opvoeder. In beginsel kan dit soort begeleiding bestemd zijn voor allerlei soorten jonge mensen, zelfs voor hen die “in hun jeugd niet denken aan hun Schepper”. Behalve dan dat de verering van God op de zevende dag een wezenlijk onderdeel is van Genesis 1. Maar is dit “opvoedend” begeleiden niet reeds in zekere zin “geestelijk”? Dienaangaande zou men de film moeten bespreken die in 2008  te Cannes de gouden palm verkreeg: “Entre les murs”.

2. De “pastorale”en “kerkelijke” begeleiding (om een christen te worden)

De mens heeft een geweldige roeping, maar in plaats van “af te zien van dingen die een hinder zijn om het doel na te streven waartoe wij zijn geschapen” (GO 23), belemmeren we die roeping op allerlei manieren. Wij worden uitgenodigd aan een schitterend feestmaal, dat van het Koninkrijk van God, maar we houden ons liever met onze zaken bezig (economische uitvlucht), we willen liever werken zonder ophouden (uitvlucht van het werk: de ossen, of de computers, die ik net heb gekocht en die ik ga proberen), of egoïstisch genieten van de eerste dagen van ons huwelijk (“ik ben pas getrouwd en kan daarom niet komen”) (Lc 14,15-24).

Wij zijn van onze geboorte af gewonde mensen, beter gezegd zondaars. Het kan zijn dat we onze wonden niet kennen, dat we ze ontkennen of dat we er heel erg aan gehecht zijn – dat is het allerergste. We verstaan onze prachtige roeping niet (geschapen, “opgevoed” voor), of niet meer, of maar half. Tussen de mensen en God is er van de oorsprong af een misverstand. God geeft ons alles: “Je kunt overvloedig eten van alle bomen in de tuin…” (Gn 2,16), en wij luisteren liever naar de slang, die Eva influistert: “Heeft God werkelijk gezegd dat je van geen enkele boom in de tuin mag eten?”(Gn 3,1).

Om ons te redden uit dit misverstand vanaf den beginne, dat onder de mensen zoveel kwaad heeft aangericht, heeft God ons uit Egypte willen bevrijden, van de slavernij waaraan wij helaas gehecht zijn. Hij heeft ons willen redden door de tussenkomst van de enige Middelaar, zijn enige Zoon, Jezus. Het is de samenspraak in de Geestelijke Oefeningen voor Christus aan het kruis: “Hij heeft mij liefgehad en zichzelf voor mij overgeleverd…” (Gal 2,20). Waar het op aankomt is dat men gelooft aan die liefde, de rest (de werken) komt daarna: “Wat heb ik gedaan… doe ik… zal ik doen voor Christus?” (GO 53). Want er is een toekomst voor de zondaar.

Om ons concreet te helpen leven in dat geloof (“het geloof in de Zoon van God die mij heeft liefgehad en zich voor mij heeft overgeleverd”), heeft God ons zijn wet gegeven. Een wet die op de mens is toegesneden. Opdat zijn volk na de uittocht vrij blijft en in vrede in het beloofde land blijft wonen, zegt God: “U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met al uw krachten” (Dt 6,5). Een dergelijk gebod kan worden ontleed in: “U zult geen afgod maken, u zult niet doden, geen echtbreuk plegen, u zult de vreemdeling opnemen, eer uw vader en uw moeder…” Toch: “We weten dat de wet geestelijk is, maar ik leid een zondig leven, verkocht als ik ben aan de zonde” (Rom 7,14). Ik moet mij dus laten verzoenen met de Schepper God door de Verlosser God en aanvaarden dat ik van Hem vergiffenis krijg om een nieuw mens te worden. “Voor hen dus die in Christus Jezus zijn, bestaat er nu geen vonnis meer” (Rom 8,1).

Voor Ignatius heeft de wet in het bijzonder te maken met het feit dat er in ons “ongeordende  gehechtheden” leven. “Wij moeten ons onverschillig maken… om teverlangen en te kiezen wat ons dichter brengt bij het doel waarvoor wij geschapen zijn” (GO 23), en dat centraal staat in ons leven, en dat we niet hebben willen zien maar vergeten zijn.

Deze theologische (of liever gezegd: theologale) omweg mag niet worden overgeslagen, als we jonge mensen willen helpen christenen te worden. Hier hebben we te maken met “pastorale” en niet enkel met “opvoedende” begeleiding. “Pastoraal” is een Bijbels woord. De herder bekommert zich om zijn schapen. Hij staat niet alleen, maar is lid van de kerk. We komen hier op “kerkelijk” terrein (dat wil niet zeggen dat de kerk daar centraal staat: “Ik heb nog andere schapen die niet uit  deze schaapstal zijn”, Joh 10,16). In de kerk en met haar begeleiden wij de jonge mensen en dienen wij een “pastoraal” te vinden die tegelijk nieuw en traditioneel is, een levende, in het bijzonder sacramentele catechese gericht op boeteviering en eucharistie (zoals de eucharistische jongerenbeweging MEJ), met een passende aanpak (waarbij men rekening houdt met de voorkeur van jonge mensen voor een gemeenschapsgebeuren: de Wereldjongerendagen, GCL, InYgo enz., zonder nochtans de valkuil van de versmelting). Een aanpak op ignatiaanse leest geschoeid, dat wil zeggen tegelijk “mystiek” (theologaal, gericht op een relatie van vriendschap, vertrouwen en onbaatzuchtigheid met de Heer) en “ascetisch” (waarbij men rekening houdt met de zwakheden van de mens, zijn vermogen zich illusies te maken, maar ook zijn toegankelijkheid voor de genade, overtuigd van het belang van de “wil” en van een zekere “ascese” om te groeien). Dat is het geval met de ignatiaanse praktijk van de terugblik, waarin verleden, heden en toekomst worden betrokken. Het is trouwens het laatste woord van Ignatius in zijn overweging over de zonden:

“Eindigen met een gesprek over de barmhartigheid. In gesprek met God onze Heer zal ik Hem danken, omdat Hij mij in leven heeft gehouden (verleden) tot vandaag (heden). En ik maak het voornemen mij in de toekomst met zijn genade te beteren (toekomst)” (GO 61).

 Deze aanwijzingen houden verband met hetgeen de achttiende Aantekening van de Geestelijke Oefeningen benadrukt over “onontwikkelde” mensen (iemand kan een universitaire studie hebben gedaan en toch “onontwikkeld” zijn; vergelijk Pierre Favre, zeer schrander en beschaafd, die Ignatius vier jaar lang heeft begeleid alvorens hem de Oefeningen te laten doen.) Ignatius raadt aan zulke mensen te helpen door hen te vragen hun geweten te onderzoeken, vaak de sacramenten te ontvangen en zich te wijden aan de werken van barmhartigheid.

3. De “geestelijke” begeleiding of “begeleiding van de roeping” (om volgeling en apostel te worden van Jezus Christus)

Hiermee wordt niet bedoeld dat de hierboven genoemde twee soorten van begeleiding niet reeds in zich een “geestelijk” karakter zouden hebben. Maar misschien hebben ze nog te veel te maken met het onderhouden van de wet. En het onderhouden van de wet is volstrekt niet de uiteindelijke roeping van de mens. “Leef volgens de Geest, dan zult u niet toegeven aan uw zondige begeerte. Als u zich door de Geest laat leiden, staat u niet onder de wet” (Gal 5,16.18).

Het onderhouden van de wet is iets goeds, zelfs iets voortreffelijks. Jezus “keek de rijke man aan en ging van hem houden”, toen deze Hem kwam vragen wat hij moest doen om het eeuwige leven te verwerven. Op Jezus’ antwoord dat hij zich aan de geboden moest houden, reageerde hij door te zeggen: “Aan dat alles heb ik mij van jongs af gehouden.” En dan voegt Jezus eraan toe: “Aan één ding ontbreekt het u nog: ga verkopen wat u hebt en geef het aan de armen, en u zult een schat hebben in de hemel. Kom dan terug om Mij te volgen” (Mc 10,17-22). De volledige roeping van de mens is gehoor te geven aan de uitnodiging van het mensgeworden Woord zich te onthechten van al het overige om zich aan Hem te binden, daar Hij de weg is naar zijn Vader, en dus naar het eeuwige leven.

Wanneer de retraitant aan de Tweede Week van de Geestelijke Oefeningen begint, zegt Ignatius hem te vragen “om de genade niet doof te zijn voor de oproep” van Christus. Daarmee betreden we het gebied van de vrijheid, waar men de wet onderhoudt, en meer doet dan dat. “Als u volmaakt wilt zijn…”, zegt Jezus tot de rijke man (Mt 19,21). Men begint aan de Tweede Week langs het koninklijke voorportaal van de “oproep van de koning”. Het verschil is nu dat men niet doof is voor de oproep van de eeuwige koning en dat men Hem zijn verlangen en wil aanbiedt om Hem van zo nabij mogelijk te volgen (GO 98). Men kan er niet langer mee volstaan een goed christen (of een goede jood) te zijn, en zelfs ook niet met het verrichten van “werken van barmhartigheid”:

 “Wie een nog grotere genegenheid willen betonen (mas se querran affectar: affectar drukt genegenheid uit) en zich willen onderscheiden in de algehele dienst van hun eeuwige koning en Heer van alles, zullen niet alleen heel hun persoon aanbieden voor die zware taak, zij zullen ook een opdracht doen van groter waarde en groter gewicht, ook al gaat dit in tegen hun eigen zinnelijkheid en tegen hun liefde voor het lichaam en voor de wereld. Zij zeggen:

 Eeuwige Heer van alle dingen, met uw gunst en hulp doe ik ten overstaan van uw oneindige goedheid, van uw verheerlijkte Moeder en van alle heiligen van het hemelse hof mijn opdracht: ik wil en verlang en het is mijn weloverwogen besluit – indien het maar tot uw meerdere dienst en lof is – U te volgen in het ondergaan van alle belediging, alle verguizing en alle geestelijke alsook materiële armoede, indien uw allerheiligste Majesteit mij wil kiezen en mij wil opnemen in zo’n levenswijze en levensstaat” (GO 97-98).

 Door zich op te dragen aan de eeuwige koning wordt het verlangen van de retraitant om bemind te worden tot het verlangen en de wil om Christus te volgen uit liefde (affectar), “meer lief te hebben” (affectar mas). Het is de doorleefde kennis van Christus, de geheimen van wiens leven men lang heeft gecontempleerd, die de retraitant in staat zal stellen om te kiezen voor het leven of de levensstaat waarin Christus hem uitnodigt Hem te volgen. Huwelijk of celibaat omwille van het Koninkrijk? Gewijde ambtsbediening met het celibaat als consequentie, of huwelijkssacrament? Meer duidelijkheid krijgt men door te luisteren naar hetgeen Ignatius hierover zegt in zijn Inleiding om een keuze te doen:

 “Het komt voor dat velen eerst het huwelijk kiezen, wat een middel is, en pas dan de dienst van God in het huwelijk, terwijl de dienst van God het doel is. Zo zijn er anderen die eerst inkomsten willen hebben (een kerkelijk inkomen?), en daarna God ermee willen dienen. Zo richten zij zich niet recht op God, maar verlangen dat God zich op hun ongeordende gehechtheid richt. Zo maken zij van het middel een doel en van het doel een middel. Wat zij het eerst zouden moeten nemen, nemen zij het laatst. Want wij moeten als vertrekpunt nemen God te willen dienen, wat het doel is, en pas daarna inkomsten of huwelijk, indien dit beter is voor mij, want dat is het middel tot het doel. Dus niets moet mij bewegen om die middelen te nemen of ervan af te zien dan alleen de dienst en lof van God onze Heer en het eeuwig heil van mijn ziel” (GO 169).

 De onderscheiding der geesten is een gave van de Heilige Geest (1 Kor 12,10), die zich rechtstreeks doet horen door de ervaring van vertroostingen en troosteloosheden. Het is Gods Geest die de retraitant zal ingeven het leven of de levensstaat te kiezen waartoe hij geroepen is, omdat hij “de gezindheid heeft van Christus” (1 Kor 2,16). Om die reden heb ik dit soort van begeleiding “geestelijke begeleiding” of “begeleiding van de roeping” genoemd. De onderscheiding van de roeping van een jonge mens, die niet getrouwd of religieus is en die zich afvraagt welke levensstaat hij moet kiezen, heeft met dit soort begeleiding te maken. En welke jonge christen vraagt zich dat niet op zekere dag af, want beide levensstaten hebben altijd in de Kerk bestaan? Hier gaat het niet langer om begeleiding van het “opvoedende” of “pastorale” type; men moet zo iemand stoutmoedig en discreet brengen tot het doen van een geestelijke onderscheiding. Dat doen bijvoorbeeld in Frankrijk verschillende roepingencommissies. Na een korter of langer traject doen ze aan jonge mensen (jongens of meisjes) het voorstel een “retraite voor een levenskeuze” te doen in een ignatiaans spiritualiteitscentrum.

God zij dank zullen verschillenden onder hen het antwoord vinden op hun vraag: In welk leven of welke levensstaat word ik door de Heer geroepen om Hem te volgen en te dienen? Wat is voor mij het verkieslijkst: Christus te volgen die zijn eerste volgelingen roept met de woorden: “Kom achter Mij aan, en Ik zal jullie vissers van mensen maken” (Mt 4,18-22)? Of zoals het ging bij Zacheüs, tegen wie Jezus zei: “Zacheüs, kom vlug naar beneden, vandaag moet Ik in uw huis verblijven” (Lc 19,1-10)? Deze twee vormen van roeping zijn er altijd geweest: “mensen in huis en mensen op straat” (Madeleine Delbrêl). Het is alleen van belang dat bij dit soort begeleiding men zich terughoudend opstelt:

 “Buiten de oefeningen is het geoorloofd en verdienstelijk mensen die er geschikt voor lijken te bewegen om onthouding, maagdelijkheid, religieus leven en elke andere vorm van evangelische volmaaktheid te kiezen. Maar tijdens de geestelijke oefeningen, waar men op zoek is naar Gods wil, is het meer gepast en veel beter dat de Schepper en Heer zelf zich meedeelt aan de ziel die Hem genegen is, dat Hij haar omarmt zodat zij Hem kan liefhebben en loven, en Hij haar voorbereidt voor de weg waarlangs zij Hem in de toekomst beter zal kunnen dienen” (GO 15).

 □

Mag men zeggen dat Ignatius een wilsmens was, een voluntarist? Neen, de “wil” dient voor hem op de eerste plaats om lief te hebben en “zich te laten raken” (GO 3). De wil is veel meer het vermogen van het gevoelsleven dan van de daadkracht. Maar het is waar dat Ignatius op een belangrijk moment van de Oefeningen (de opdracht in de meditatie over de Oproep van de koning) zegt: “Ik wil en verlang” (GO 98). Ongetwijfeld weet hij uit ervaring dat een verlangen, als het niet met een vaste wil gepaard gaat, vaak theoretisch blijft en tot niets leidt. Je zou kunnen zeggen dat voor hem het verlangen de wind in de zeilen is die de boot vooruit doet gaan. De wil is dan het roer. Dit doet de boot niet vooruitgaan. Maar als men niet met behulp van het roer de boot goed op de wind zet en de juiste koers doet aanhouden, dreigt men niet verder te komen en zelfs te zinken. Alleen door het samenspel immers van de twee krachten (de wind en het roer, het verlangen en de wil) kan de zeeman het gekozen en begeerde doel bereiken. Om de woorden te gebruiken van Beytía: door dit samenspel kan men “tot een nieuwe mens komen”. Het is niet voldoende dat men het Koninkrijk leert kennen. Men moet ook vurig verlangen dat het kome. Juist dit samenspel zal een jonge mens tot “volgeling” en daarna ook tot “apostel” maken.

 vertaling: Felix van Voorst tot Voorst S.J.

Op 8 november 2008 hield de auteur deze lezing op een bijeenkomst van leden van het Ignatiaans Jeugdnetwerk InYgo in La Baume-lès-Aix.
Bernard Mendiboure is begeleider van de Gemeenschap van Christelijk Leven (GCL) in Lille.
Hij publiceerde het boek Lire la Bible avec Ignace de Loyola, dat werd besproken in Cardoner 2009/1, blz. 47-48.

Print Friendly, PDF & Email