Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
/ Geestelijke Oefeningen - Begeleiden / Een ignatiaans model van geestelijke begeleiding

Een ignatiaans model van geestelijke begeleiding

Redactie Cardoner on 07/06/2010 - 12:53 pm in Geestelijke Oefeningen - Begeleiden

door Brian O’Leary S.J.

 Tussen de verschillende benaderingen van geestelijke begeleiding neemt de ignatiaanse aanpak een eigen plaats in. Brian O’Leary omschrijft waarin het specifieke karakter van ignatiaanse geestelijke begeleiding bestaat. Met geestelijke begeleiding wordt in dit artikel bedoeld: een serie ontmoetingen tussen een begeleider en een begeleid persoon volgens een afgesproken ritme en over een te bepalen periode. De auteur, een Ierse jezuïet, was lid van het team van het bezinningscentrum Manresa in Dublin en docent spiritualiteit aan het Milltown Institute, eveneens in Dublin. Op dit ogenblik geeft hij retraites en lezingen. 

Het devies van Spiritual Directors International (SDI) luidt: “Zorg voor het heilige, de wereld rond en over tradities heen.” Het bestaan van zo’n organisatie, waarvan de belangrijkste christelijke denominaties alsook andere geloofsgemeenschappen lid zijn, herinnert ons eraan dat geen enkele traditie het alleenrecht op geestelijke begeleiding heeft. De behoefte aan zorg voor het heilige is universeel en deze nood heeft men in de loop van de geschiedenis op allerlei wijzen ervaren. Het resultaat is een schat aan wijsheid en praktijken, waarvan wij ons nu pas ten volle bewust worden. Het tijdschrift van SDI, Presence, bevat regelmatig artikels die onze kennis verrijken en onze verbeelding stimuleren en wegen bewandelen die én klassiek én nieuw zijn.

Zodra wij erkennen dat er een grote verscheidenheid van tradities van geestelijke begeleiding bestaat, komt onvermijdelijk de vraag op naar de identiteit van de eigen traditie. Sommige geestelijke begeleiders pakken het op een heel eclectische wijze aan, maar zij vormen wel een minderheid. De meesten beschouwen zichzelf als werkers in een particuliere historische traditie. Dit geeft hun het gevoel dat zij degelijk gefundeerd bezig zijn, maar het sluit geen openheid uit om van andere tradities te leren of zelfs hun eigen manier van werken aan te passen. Ignatiaanse geestelijke begeleiding behoort tot het christelijke gedachtegoed, heeft zich ontwikkeld uit leerstellingen en praktijken die teruggaan op de woestijnmoeders en –vaders. Maar waarop kunnen wij ons beroepen als op iets specifieks voor deze traditie, iets dat ze herkenbaar anders maakt dan, laten we zeggen, de begeleiding van karmelieten of salesianen?

Het is niet mijn bedoeling een vergelijkende studie van een reeks tradities te maken. Dit zou de beperkingen van een artikel overschrijden. Mijn zoektocht naar wat specifiek is aan een ignatiaans model van geestelijke begeleiding zal zich integendeel zo scherp mogelijk richten op een geheel van vooronderstellingen, waarden, karakteristieken en accenten zonder welke de term “ignatiaans” niet meer toepasselijk zou zijn. Die ingrediënten zullen voor een ignatiaans model essentieel zijn en herkenbaar aanwezig waar ook aan ignatiaanse geestelijke begeleiding gedaan wordt. Dit betekent niet dat ze altijd expliciet aanwezig zullen zijn, maar bij nader onderzoek van wat de begeleider doet, zal blijken dat die ingrediënten daar wel degelijk werkzaam zijn.

Veel van mijn reflecties zullen onvermijdelijk te maken hebben met het verband tussen geestelijke begeleiding en de Geestelijke Oefeningen van Ignatius. Maar hier moet ik een vooronderstelling verduidelijken die ik altijd hanteer, dat namelijk het geven van de Oefeningen niet hetzelfde is als het op zich nemen van geestelijke begeleiding. Al zijn ze natuurlijk ook niet totaal van elkaar te scheiden, toch zijn het twee verschillende vormen van dienstverlening. Iemand die opgeleid is om de Oefeningen te geven, is niet automatisch uitgerust om geestelijke begeleiding aan te bieden, en wie opgeleid is in geestelijke begeleiding, is er niet noodzakelijk klaar voor om de Oefeningen te geven.

En toch, ik denk niet dat Ignatius en de eerste jezuïeten dit onderscheid zo scherp hebben opgevat als wij dit nu doen. Ik heb de indruk dat deze mannen (ik denk in het bijzonder aan Pierre Favre) heel soepel van een geestelijk gesprek overgingen naar het aanbieden in een of andere vorm van de Oefeningen, een formule die dan bekend werd als “de Oefeningen in lichtere vorm”, in feite de toepassing van de Achttiende aantekening. In de zestiende eeuw kenden wij het dienstwerk van geestelijke begeleiding niet met de duidelijke omschrijving die het de laatste jaren verworven heeft. Er is nergens een spoor te vinden van een speciale opleiding, van een afgesproken overeenkomst tussen begeleiders en begeleide personen, van regelmatige ontmoetingen, van vijftigminutensessies, van ethische codes, en zeker niet van een vergoeding. Dat zijn allemaal nieuwigheden van het einde van de twintigste eeuw. Vijf eeuwen lang sprak men niet over het professionele karakter van dit werk, en wellicht had iets dergelijks Ignatius en de eerste generaties jezuïeten afschuwelijk in de oren geklonken. En zeker hadden zij bezwaren gemaakt tegen het vragen van een vergoeding. Onze kernvraag naar wat specifiek is in de ignatiaanse geestelijke begeleiding kan bijgevolg niet eenvoudigweg beantwoord worden door een historisch onderzoek naar de inzichten en praktijken van de zestiende eeuw. Als ons startpunt moeten wij de geestelijke begeleiding nemen zoals die vandaag bestaat, geprofessionaliseerd zoals ze nu inderdaad geworden is.

Een hedendaags model van geestelijke begeleiding

 Volgens de klassieke beschrijving van William A. Barry en William J. Connolly (The Practice of Spiritual Direction, New York, 1982) zijn er in de dynamiek van de geestelijke begeleiding drie deelnemers in het spel: de begeleider, de begeleide man of vrouw, en God. De verhouding tussen de begeleide persoon en God bestaat al eerder dan de relatie tussen de begeleide persoon en de begeleider, en is hiervan onafhankelijk. De begeleider geeft niet de aanzet tot de verhouding tussen de begeleide en God, maar vergemakkelijkt en voedt een reeds bestaande werkelijkheid. De wisselwerking tussen begeleide persoon en God is altijd belangrijker dan de wisselwerking tussen begeleide persoon en begeleider. Die laatste kan alleen een instrumentele en bemiddelende rol spelen.

De verhouding van de begeleide persoon tot God is niet beperkt tot een of ander aspect van zijn of haar leven, maar is allesdoordringend, alomvattend. Daarom kan voor de begeleiding niets van het ruwe materiaal a priori uitgesloten worden. Niettemin kunnen we verwachten dat iemands gebed deze verhouding tot God als middelpunt heeft, dat zijn of haar gebed de plaats is waar deze verhouding (tenminste soms) op een explicietere, doorzichtigere, intensere wijze wordt ervaren. Daarom kan geen enkel gesprek er aanspraak op maken geestelijke begeleiding te zijn, zo er geen gedachtewisseling plaatsvindt over wat in iemands gebed gebeurt.

 Deze aanpak gaat uit van de veronderstelling dat het gebed van deze persoon echt is, een veronderstelling die wel altijd op haar waarheid getoetst moet worden, vooral dan in het beginstadium van de geestelijke begeleiding. Zelfmisleiding is een constante mogelijkheid. Gebed kan aangewend worden om de realiteit te ontvluchten. In plaats van de brandhaard te zijn van iemands ervaringen met God en met het leven, kan het gebed voor die man of vrouw een manier worden om te pogen op een ongezonde en steriele wijze te vluchten voor de eisen, de spanningen, de pijn en de verwarring van deze ervaringen. Omdat hij of zij in dit geval niet reëel bezig is, kan God voor hem of haar ook niet reëel zijn.

Als iemand voor het eerst een geestelijke begeleider opzoekt, moet de aandacht van de begeleider naar deze ene sleutelvraag gaan: “Verlangt deze persoon een waarachtige verhouding met God?” Iedere andere bedoeling of beweegreden kan niet leiden tot de specifieke soort van relatie met een begeleider die geestelijke begeleiding is. Wellicht zoekt die man of vrouw hulp voor psychologische problemen, is hij of zij gestuurd door iemand in een gezagspositie, of is hij of zij eenzaam, of zoekt naar zelfontplooiing, enzovoorts. Zulke beweegredenen kunnen de begeleider ertoe aanzetten de persoon te verwijzen naar een andere soort van helper (bijvoorbeeld een psychotherapeut of een hulpverlener). Anderzijds kan de begeleider intuïtief aanvoelen dat die persoon geholpen kan worden om over deze dikwijls voorkomende beweegredenen heen te komen tot de meer specifiek geestelijke motivatie, namelijk het verlangen naar een relatie met God.

De verhouding tussen begeleider en begeleide kent duidelijke vooronderstellingen, specifieke doeleinden en een hieraan aangepaste methodologie. Het gaat hem niet over iets toevalligs, zeldzaams of onbestemds. Deze relatie vraagt een duidelijk terreinafbakening en vereist dus te worden geleid door een ethische code. Dit alles moet bij het begin van de relatie aan de te begeleiden persoon duidelijk gemaakt worden. Is dit gebeurd en weet de man of vrouw waarover het gaat, dan kan de begeleider starten met het afspreken met de te begeleiden persoon van een werkverbintenis of, preciezer geformuleerd, van een werkverbintenis vanuit het verlangen van de te begeleiden persoon om zijn of haar relatie met God te verdiepen.

 Een ignatiaans paradigma?

Dit hedendaagse model van geestelijke begeleiding zal vandaag de dag in christelijke kringen, denk ik, wel in ruime mate aanvaard worden. Dat wil niet zeggen dat het er aanspraak op kan maken het definitieve model te zijn, maar het kan wel gelden als representatief voor een nieuwe wijze van denken en een nieuwe aanpak die gemeengoed zijn geworden. Het is een model dat algemeen christelijk genoemd mag worden en dat aan de accenten van verschillende tradities kan worden aangepast. Dat is wel een van zijn sterke punten. Maar is het juist dit model ignatiaans te noemen?

Ik zou willen suggereren dat dit model, alhoewel het van ignatiaanse afkomst is en het bepaalde ignatiaanse sleutelprincipes heel dicht benadert, toch zo algemeen is dat men het niet specifiek ignatiaans kan noemen. En toch is dit het model, of iets gelijkaardigs, dat vele begeleiders die zich ignatiaans noemen, in de praktijk toepassen. Zoals trouwens ook de begeleiders doen die zich benedictijns of franciscaans noemen.

Het wordt tijd om uit te zoeken wat noodzakelijk is om dit begrip van geestelijke begeleiding als specifiek ignatiaans te verstaan. Mijn beginpunt is de kerk. Het is immers mijn overtuiging dat iedere geestelijke begeleiding, maar speciaal de ignatiaans geestelijke begeleiding, een kerkelijk dienstwerk is.

 Een kerkelijk dienstwerk

De eerste, maar daarom niet exclusieve plaats voor de realisatie van het trinitaire plan voor de mensheid is de kerk. Ieder element van dit trinitaire plan is op de een of andere manier ingebed in het leven van de kerk. Vandaar dat alle menselijke activiteit die een antwoord wil zijn op het initiatief van de Geest, die de werking van de Geest in ons leven tracht te cultiveren, die zich als in een leercontract aan de scheppende Geest aanbiedt, een kerkelijke dienst wordt.

Geestelijke begeleiding is maar één dienstwerk tussen vele andere van dit soort. In de praktijk neemt begeleiding een relatief bescheiden plaats in (precies omdat ze in de strikte en hedendaagse professionele betekenis maar aan een klein aantal gelovigen kan aangeboden worden). Diensten die zowel chronologisch als wegens hun belangrijkheid voorrang hebben zijn o.a. liturgie, verkondiging, catechese en het sacrament van de verzoening. Ieder van deze vormen van dienstwerk omvat hoe dan ook elementen van geestelijke begeleiding (bijvoorbeeld onderricht, vorming en heling), maar geestelijke begeleiding kan nooit onze behoefte aan die andere vormen vervangen.

In het verleden was het wellicht niet zo nodig het kerkelijke karakter van de christelijke geestelijke begeleiding te benadrukken. Hoe dan ook, tegenwoordig stellen we toch hier en daar de neiging vast, ten minste in het Westen, om geestelijke begeleiding zo goed als onafhankelijk van het kerkelijke leven te beschouwen, vooral dan in haar institutionele dimensie. Geestelijke begeleiding gaat zich dan voordoen alsof ze parallel functioneert aan het sacramentele en ander kerkelijk dienstwerk, en in sommige gevallen alsof ze die vervangt. Dit fenomeen heeft te maken met het feit dat mensen meer en meer interesse opbrengen voor spiritualiteit, terwijl ze zich van hun oorspronkelijke religie afwenden. Dit kan dan weer de uiting zijn van een overdreven individualisme, waarbij mensen uitsluitend in de sfeer van innerlijke ervaringen naar waarheid en zin op zoek gaan.

Ieder portret van Ignatius, zo het volledig wil zijn, laat ons zien dat hij een man van de kerk was. Zelfs zonder de Regels voor een kerkelijke gezindheid (GO 352-370) erbij te betrekken, blijkt uit zijn hele leven zijn eerbied voor de kerk en haar bedienaars. In zijn beginjaren zouden we deze houding wellicht evengoed cultureel als religieus geïnspireerd kunnen noemen. Hoe dan ook, zijn mystieke ervaringen in Manresa en vervolgens zijn theologiestudies versterkten alleen maar zijn ingeboren zin voor eerbied voor de kerk, en de Regels zorgden voor bijkomende scherpte in dit aspect van Ignatius’ overtuiging.

In de context van de Oefeningen, waarin zoveel nadruk gelegd wordt op de wijze waarop God in rechtstreeks contact met de ziel werkt (GO 15), herinneren deze regels ons eraan dat deze innerlijke verlichting niet de enige wijze is waarop God werkt.

 “Wij geloven dat in Christus onze Heer, de bruidegom, en de kerk, zijn bruid, het een en dezelfde Geest is die ons bestuurt en leidt naar het heil van onze ziel. Want door dezelfde Geest en Heer die de tien geboden gaf, wordt ook onze heilige Moeder de kerk geleid en bestuurd.” (GO 365).

 “Dezelfde Geest” leidt ons, gidst ons op verschillende wijzen. Ook in de loop van de Oefeningen speelt de kerk een rol. De retraitant heeft een verhouding met Christus dankzij de gave van de Geest in zijn of haar doopsel, en omdat hij of zij zo in de gemeenschap van de kerk werd opgenomen. De Oefeningen doen betekent een diepere insertie in het leven van de kerk, geen verwijdering ervan. Dat er regels voor een kerkelijke gezindheid in het boek van de Geestelijke Oefeningen staan, is niet toevallig. Wij mogen ze niet ignoreren omdat ze moeilijk zijn, of wegens hun controversiële aard.

Bovendien is de kerninhoud van deze regels even belangrijk buiten de Oefeningen. Zij wijzen naar de context van ons christelijk leven in het algemeen, maar in het bijzonder naar het dienstwerk van geestelijke begeleiding. Zij bepalen gedeeltelijk het referentiekader van de begeleider, en zo de begeleider het  belang ervan niet weet te aan te voelen, dan zal de begeleide persoon dit waarschijnlijk ook niet doen. Als de begeleider van de kerk vervreemd is geraakt, zal de begeleide man of vrouw die houding oppikken en mogelijkerwijs in eenzelfde gevoel van vervreemding terechtkomen. De kwestie is niet zozeer dat de begeleider de tekst van de Regels aan de begeleide persoon zou voorleggen, wel dat de begeleider zelf, zoals Ignatius, een man of vrouw van de kerk is.

 Geestelijke begeleiding en theologie

De Regels voor een kerkelijke gezindheid bevatten een theologie van de kerk die gebaseerd is op de rol van de Geest in haar leven. Al de praktische gevallen die in de regels zijn opgenomen, zelfs degene die niet historisch zijn bepaald, zijn minder belangrijk dan Ignatius’ centrale theologische kerkvisie: een kerk die van de Geest is vervuld en door de Geest wordt geleid.

Het te beperkte gebruik van deze regels vandaag, zowel in de Oefeningen als daarbuiten, kunnen we toeschrijven aan heel wat oorzaken. De kerk is het slachtoffer geworden van het wantrouwen en de achterdocht waarmee, wijdverbreid, iedere organisatie en alle gezag te maken hebben. Alleen het eigen gezag blijft over. Dit heeft geleid tot een vooringenomen onderscheid tussen spiritualiteit en religie. Een verontrustend aantal van zelfverklaarde christenen verkiest het op eigen kracht hun geestelijke reis te maken, zonder zich aan enige formele geloofsgemeenschap te binden.

Heel wat spiritualiteit richt zich vandaag naar niet-intellectuelen, zo niet naar anti-intellectuelen. Mensen, ook sommige begeleiders, zijn nog altijd in verzet tegen een overdreven cerebrale en moralistische opvatting van spiritualiteit, zoals die in de beginjaren van de twintigste eeuw gangbaar was. Soms lopen ze in de val van de nog oudere scheiding tussen theologie en spiritualiteit. Ik wil integendeel stellen dat niet alleen de Oefeningen een noodzakelijke theologische dimensie hebben, maar dat deze dimensie ook integraal deel moet uitmaken van de ignatiaanse geestelijke begeleiding. De Regels voor een kerkelijke gezindheid geven er ons juist een voorbeeld van hoe theologie de spiritualiteit moet doordringen. Wij zijn het eens met Teresa van Avila die vond dat haar begeleiders eerder verstandige dan vrome mensen moesten zijn. In haar autobiografie (hoofdstuk 13) schrijft zij dat het voor een geestelijke begeleider nodig is dat hij wijsheid (goed oordeel), ervaring en kennis bezit. Zij kijkt niet uit naar hoog gekwalificeerde academici, maar naar mensen die op zijn minst theologisch onderlegd zijn, en die ook hun eigen leven door theologiestudie willen verrijken. In zijn triade van de kwaliteiten die een begeleider nodig heeft, plaatst Johannes van het Kruis vorming op de eerste plaats (de twee andere zijn: bezonnenheid en ervaring). Natuurlijk kan  theologisch onderlegd zijn een gebrek aan andere vaardigheden niet goedmaken. Die mogen we wel veronderstellen, bijvoorbeeld de kandidaat onbevooroordeeld ontvangen, actieve luisterbereidheid, inlevingsvermogen, bekwaamheid om de juiste feedback te geven, het vermogen om een confrontatie aan te gaan, enzovoorts. Maar toch, zonder theologische vorming lopen deze vaardigheden het gevaar te gaan functioneren in een geestelijk vacuüm.

En theologie is niet zomaar een vereiste voor de geestelijke begeleider. De groei van degenen die begeleid worden kan niet beperkt worden tot de affectieve en doelgerichte aspecten van hun bezig zijn, maar moet ook de kennis omvatten. Het ignatiaanse sleutelwoord sentir betekent “een doorvoelde kennis hebben”. De begeleide man of vrouw moet aangemoedigd worden om deze kennis te verruimen, om evengoed theologie te lezen en erover na te denken als om volgens de evangelische waarden te bidden en te handelen. Het belang van theologische kennis is iets wat de ignatiaanse begeleider ter overweging kan doorgeven aan wie hij begeleidt – zonder daarom een schoolmeester te worden. Het aandeel van de begeleider bestaat erin te stimuleren, interesse op te wekken, verbanden aan te wijzen tussen de levenservaring van de man of vrouw die hij begeleidt en mogelijke theologische interpretaties.

De relatie tussen begeleider en begeleide persoon

Hebben we het nu over de relatie tussen begeleider en begeleide persoon, dan zou iemand die volgens de ignatiaanse traditie werkt deze kunnen omschrijven met wat ik het algemene model noem, een model waarop geen patentrecht meer rust. Dit komt deels wegens de gemeenschappelijke erfenis die alle geestelijke begeleiders delen, en deels wegens de huidige invloed van de psychologie op dit werk. Ieder ignatiaans vormingsprogramma omvat tegenwoordig wat we gebruikelijk counselingvaardigheden noemen en die we hierboven al hebben vermeld. Daar wordt dan de nadruk gelegd op onderwerpen als de grens van wat kan en mag, vertrouwelijkheid, overdracht en tegenoverdracht. Professionele ethische gedragsnormen moeten wel mee het hart van dit dienstwerk uitmaken. Niettemin, zelfs als het gaat over elementen die door zo goed als iedereen aanvaard worden, dan nog blijven de Aantekeningen en de Vooronderstelling in het begin van de Geestelijke Oefeningen een bron van belangrijke ignatiaanse klemtonen (GO 1-20,22).

Het is duidelijk dat Ignatius van beide partijen een fundamenteel wederkerig respect en vertrouwen verwacht. De begeleider moet een goed luisteraar zijn, die de retraitant of de begeleide persoon zijn of haar verhaal op ieders eigen wijze laat vertellen zonder het relaas met eigen ervaringen of ideeën aan te vullen. Ook bij het aanbieden van stof voor het gebed moet de begeleider terughoudendheid beoefenen en slechts “met een korte, bondige uitleg de punten doornemen” (GO 2). Alle aandacht moet gaan naar de verhouding van de begeleide persoon met God. Is een dergelijke houding nodig voor het geheel van de Oefeningen, dan wordt dit nog belangrijker op het ogenblik van de keuze of het nemen van een beslissing.

 “Tijdens de geestelijke oefeningen, waar men op zoek is naar Gods wil, is het meer gepast en veel beter dat de Schepper en Heer zelf zich meedeelt aan de ziel die Hem genegen is, dat Hij haar omarmt zodat zij Hem kan liefhebben en loven, en dat Hij haar voorbereidt voor de weg waarlangs zij Hem in de toekomst beter zal kunnen dienen. Wie de oefeningen geeft moet dus niet naar één kant afwijken of neigen, maar als de wijzer van een weegschaal in het midden blijven. Hij moet de Schepper in direct contact met zijn schepsel laten werken en het schepsel met zijn Schepper en Heer.” (GO 15)

 Heerst er tussen beide partijen een fundamenteel respect en vertrouwen, dan is de begeleider vrij om op een gepaste wijze op de retraitant of begeleide persoon te reageren. Wat gepast is zal afhankelijk zijn van wat er gebeurt in het innerlijk leven van die persoon. Ignatius schrijft bijvoorbeeld:

 “Wanneer wie de oefeningen geeft ziet dat wie de oefeningen krijgt in troosteloosheid raakt of bekoord wordt, zal hij zich niet hard of bars tonen, maar zacht en vriendelijk.” (GO 7)

 Op een ander ogenblik kan dit gepaste reageren wel eens tot een confrontatie leiden:

 “Wanneer wie de oefeningen geeft voelt dat er zich geen innerlijke bewegingen, als vertroosting of troosteloosheid, voordoen bij wie de oefeningen doet en dat deze niet door verschillende geesten wordt bewogen, dan moet hij hem uitdrukkelijk ondervragen over  de oefeningen: of hij ze op de vastgestelde tijden doet en hoe, en of hij de toelichtingen zorgvuldig in praktijk brengt. Naar al deze dingen zal hij in detail vragen.” (GO 6)

 Het is altijd mogelijk dat iemand zo’n uitdaging niet op prijs stelt. Als de verhouding nog niet voldoende onderbouwd is, kan de confrontatie tot een breuk leiden. Maar als het noodzakelijke respect en vertrouwen er zijn, dan zal de retraitant deze tussenkomst van de begeleider aanvaarden als een noodzakelijk hulpmiddel om in de dynamiek van de Oefeningen voortgang te maken.

Zo’n confrontatie is wellicht gemakkelijker tijdens de Oefeningen dan bij geestelijke begeleiding. Zowel hij of zij die de Oefeningen geeft als de persoon die ze doet kennen heel duidelijk de afspraken die gemaakt werden over de hoeveelheid gebed, zelfs over de gebedstijden. De toelichtingen waarnaar verwezen werd in Aantekening 6 maken het nog duidelijker wat vereist wordt. De retraitant zal dus niet verrast zijn als de degene die de Oefeningen geeft tracht te weten te komen of deze afspraken worden nagekomen.

Bij geestelijke begeleiding moet een aantal soortgelijke afspraken, zij het aangepast, gemaakt worden. Dat is wat bedoeld wordt met een begincontract of werkovereenkomst. Bij hun eerste ontmoeting, of op zijn laatst vóór de begeleider de betreffende persoon voor geestelijke begeleiding formeel aanvaardt, moeten zij het eens geworden zijn over een voor beide partijen aanvaardbare overeenkomst. Die zou items moeten bevatten als de frequentie en de duur van de ontmoetingen, en in sommige gevallen ook de kwestie van een gepaste financiële vergoeding. Maar zeker moet er vanwege de te begeleiden man of vrouw een belofte in staan, opnieuw bij wederzijds akkoord, omtrent een bepaalde hoeveelheid gebed en, zo mogelijk, omtrent het bijhouden van een dagboek of notities. Het belang van deze overeenkomst, vanuit  ignatiaans standpunt, bestaat hierin dat de begeleider nu vrij is om, zo nodig, de begeleide persoon te vragen of hij of zij de afspraken wel nakomt.

Flexibiliteit van de begeleider

Uit dit model van verhouding tussen begeleider en begeleide volgt een flexibele aanpak, iets wat de Aantekeningen ook aanmoedigen. Hoe de Oefeningen te geven is niet a priori  bepaald, maar verschilt volgens de unieke persoonlijkheid en levensgeschiedenis van de betrokken persoon. Zo lezen wij:

 “De oefeningen zullen worden aangepast aan de mogelijkheden van wie de geestelijke oefeningen willen doen, namelijk aan hun leeftijd, vorming of begaafdheid… De mate waarin iemand zoekt zich open te stellen bepaalt welke oefeningen men hem geeft en wat hem kan helpen en doen vooruitgaan.” (GO 8)

 Dergelijke flexibiliteit is niet beperkt tot de beslissingen bij de start over datgene wat iemand op zich kan nemen, maar blijft het hele begeleidingsproces door een essentieel onderdeel van de aanpak van de begeleider. Wie de Oefeningen geeft kan niet bij iedere ontmoeting op voorhand weten wat hij of zij moet zeggen of suggereren. Alles hangt af van de ervaringen van de retraitant. De begeleider moet door en door met de tekst van de Geestelijke Oefeningen vertrouwd zijn, maar moet toch ook vrij zijn om ervan af te wijken, mocht dit voor het welzijn van de retraitant nodig blijken. De agenda wordt bepaald, onder Gods leiding, door de retraitant en niet door hem of haar die de Oefeningen geeft. Deze graad van flexibiliteit maakt integraal deel uit van het geven van de Oefeningen en is vlot op de praktijk van de geestelijke begeleiding toe te passen.

Flexibiliteit is zelfs nog noodzakelijker in geestelijke begeleiding. Wie de Oefeningen geeft schenkt zorgvuldig aandacht aan het verhaal dat hem of haar wordt verteld en past zich daaraan aan. Maar toch is hij of zij ook de drijvende kracht achter de dynamiek van de vier weken. Wie de Oefeningen geeft heeft een kader waarin gewerkt wordt, heeft ook oefeningen en andere suggesties van Ignatius waarvan hij of zij gebruik kan maken. Daar is een voortdurende wisselwerking tussen de ervaringen van de retraitant en de tekst, hoe flexibel die ook gebruikt mag worden. Maar voor geestelijke begeleiding bestaat er zo geen tekst, en ook geen gelijkaardige duidelijke dynamiek om de begeleider te gidsen. Een ignatiaanse begeleider steunt nog altijd op de Oefeningen en op zijn of haar eigen ervaring in het doen of geven ervan. Dit gebeurt echter op een meer indirecte manier en is dikwijls meer zaak van de wijsheid van de Oefeningen in het algemeen dan van bepaalde specifieke onderdelen of leerstellingen.

Meer nog, het gebed van iemand die geestelijke begeleiding volgt mist dikwijls een duidelijke focus, doelgerichtheid en intensiteit vergeleken met het gebed tijdens de Oefeningen. In de twintigste Aantekening valt dit sterk op. De dagelijkse ontmoeting met een retraitant richt zich op de gebedstijden van de voorbije 24 uren en op wat daartussen gebeurde. Voor een retraitebegeleider met ervaring is het relatief simpel om daarop in te spelen. Maar bij geestelijke begeleiding met een maandelijkse ontmoeting is er in iemands leven veel meer om over te praten, en daar is het gebed dikwijls erg diffuus. Het kan zijn dat het formele gebed in wat verteld wordt niet langer centraal staat, en een begeleider verlangt wellicht veel meer te achterhalen hoe de begeleide persoon God vindt in de gebeurtenissen van zijn of haar leven. Maar daarvoor bestaat geen specifiek werkkader.

Theologische, culturele en andere verschillen

De mogelijkheid dat de begeleider en de begeleide persoon een verschillende etnische en culturele achtergrond hebben, of uit verschillende christelijke denominaties komen, of dat zij er verschillende theologische opvattingen op nahouden (in het bijzonder over ethische onderwerpen) kan het moeilijk maken om in onze wereld van vandaag goed naar elkaar te luisteren. Voor beide partijen vormen zulke verschillen een emotionele en intellectuele uitdaging. Als we te maken hebben met een persoon wiens Godsbeeld, of kijk op de kerk, of seksuele geaardheid, of culturele vooronderstellingen, of wiens politieke overtuiging radicaal verschilt van die van de begeleider, dan kunnen hevige en met elkaar botsende gevoelens naar boven komen. Deze gevoelens kunnen beletten dat de begeleide persoon zijn of haar ervaringen in vertrouwen meedeelt en dat de begeleider hierop gepast reageert. Daarnaast zijn er nog de ons meer vertrouwde verschillen, zoals die in geslacht, leeftijd of sociale klasse. Al deze verschillen en de daarmee samenhangende moeilijkheden moeten we ter sprake durven brengen, erkennen en onder ogen zien, veeleer dan dat we ze zouden ontkennen of toedekken.

Ignatius heeft over dergelijke situaties wijze woorden gesproken – wellicht omdat hijzelf van illuminisme werd verdacht, of omdat hij zich bewust was van de theologische verschillen eigen aan de protestantse reformatie, of gewoonweg omdat hij de menselijke natuur zo goed doorhad. Hij schreef:

 “Tot grotere hulp en vooruitgang van wie de geestelijke oefeningen geeft en van wie ze krijgt, dient men van de vooronderstelling uit te gaan dat ieder goed christen eerder bereid moet zijn de opvatting van zijn naaste te sauveren dan ze te veroordelen. Kan hij ze niet sauveren, dan moet hij vragen hoe de ander ze verstaat. Verstaat die ze verkeerd, dan moet hij hem met liefde verbeteren. Helpt dat niet, dan moet hij alle gepaste middelen zoeken opdat die mening, goed verstaan, gesauveerd wordt.” (GO 22)

 Ignatius zegt hier dat zonder een onvervalste openheid en een bereidheid om in het referentiekader van de ander te komen, geen nuttig gesprek kan plaatsvinden. Ons verlangen moet inderdaad zijn te sauveren of te verdedigen wat de ander zegt. In hedendaagse termen: Ignatius vraagt dat wij in onze gesprekken blijk zouden geven van een hermeneutiek van welwillendheid. Hij benadrukt de wederkerige invloed wanneer wij zo’n welwillendheid aan de dag leggen. In zijn commentaar op de woorden “tot grotere hulp en vooruitgang van wie de geestelijke oefeningen geeft en van wie ze krijgt” schrijft Michael Ivens:

 “In de handleidingen wordt hiernaar dikwijls verwezen in termen van meester-leerling. Toch wordt deze verhouding hier beschreven als een relatie van samenwerking. Begeleider en retraitant hebben een gezamenlijk project: dat de retraitant door de oefeningen God vindt. In hun samenwerking naar dit doel worden degene die de oefeningen geeft en degene die ze krijgt opgeroepen om elkaar te ‘helpen’. De hulp is wederkerig.” (Understanding the Spiritual Exercises, Leominster, 1998, blz. 25)

 Ignatius kon natuurlijk niet alle complexe kanten van onze hedendaagse wereld voorzien en zijn Vooronderstelling kan niet iedere moeilijkheid aan de orde stellen, laat staan oplossen. Zo verwijst hij niet naar de aanwezigheid in dergelijke ontmoetingen van die heel diepe en verwarrende emoties die het moeilijk maken redelijk te denken of te antwoorden, en die wellicht om supervisie vragen. Hij schrijft alsof de verschillen in kwestie alleen een zaak zijn van verschillende ideeën. Toch helpen zijn beknopte commentaren ons om de houding van hart en geest te vinden die wij nodig hebben in deze steeds vaker voorkomende situatie.

Aandacht schenken aan de verlangens

Om de bedoeling en de kern van een ignatiaanse oefening te begrijpen – zo wordt dikwijls gezegd – volstaat het te kijken naar de genade die wordt gevraagd en naar het colloquium. In feite mogen we het colloquium beschouwen als een uitwerking van het gebed om een bepaalde genade aan het begin van de oefening. Het benoemen van die genade, de heldere verwoording van het verlangen, vindt plaats bij het begin van iedere gebedstijd. De tweede inleiding luidt: “Aan God de Heer vragen wat ik verlang en wil” (GO 48 etc.). Iedere ignatiaanse oefening wordt gebouwd op datgene “wat ik verlang en wil” en groeit daaruit op. Het verlangen is de basis van de dynamiek die de Geestelijke Oefeningen aandrijft. Het verlangen doet het gebed van retraitanten vuur vatten, richt hun aandacht op wat het eigenlijke opzet is, ondersteunt hen in tijden van troosteloosheid, laat zien waarheen het gebed hen beweegt en wordt een centraal punt in het relaas dat zij met de begeleider zullen delen. Het verlangen is op bijzondere wijze de as waar alles om draait in het proces van de keuze of het nemen van een beslissing.

Zodra we het centrale belang en de dynamiek van het verlangen in de Oefeningen begrijpen, wordt het overduidelijk hoe dit alles ook van toepassing is in geestelijke begeleiding. Maar verlangens zijn dubbelzinnig en hier zal veel onderscheiding nodig zijn. In onze welvaartstaat met zijn consumptiecultuur kunnen diepmenselijke verlangens gemakkelijk verstikt worden en uitdoven. Geestelijke verlangens lopen nog meer gevaar. Dikwijls moeten diepmenselijke en geestelijke verlangens de plaats ruimen voor voorbijgaande en overgewaardeerde genoegens. Die oppervlakkige verlangens gaan dan op ons bewustzijn een overheersende invloed uitoefenen. Het is verbazingwekkend hoe moeilijk zovele mensen de vraag vinden:  “Wat verlang je echt?” Het doet er niet toe of we verstandig of welbespraakt zijn, we vinden het in toenemende mate moeilijk om voeling te krijgen met onze diepste en meest echte verlangens. Een hoofddoel van ignatiaanse geestelijke begeleiding is mensen naar hun diepste innerlijkheid te brengen, naar hun eigen hart, waar deze echte verlangens te vinden zijn.

Zoals het geval is bij het doen van de Oefeningen, zo voeden ook tijdens de geestelijke begeleiding de verlangens allerlei bewegingen. De ignatiaanse begeleider verlangt niet simpelweg te weten “wat er gebeurt”, maar “wat vooruitgaat”. Hij of zij zal trachten in te spelen op de bewegingen van de Geest in de begeleide persoon. De begeleider is er zich immers van bewust dat verlangens kunnen wijzen op de aanwezigheid van de Geest en op de richting waarin de Geest de begeleide persoon aanzet te gaan. Zonder deze “vooruitgang” zal het innerlijke leven van de begeleide persoon tot bedaren en tot stilstand komen. Als dat zo is, dan kan het nodig zijn dat de begeleider, zoals aangegeven in Aantekening 6, die afwezigheid van beweging nauwkeurig onderzoekt en dienovereenkomstig tussenbeide komt.

Regels voor onderscheiding

Het belangrijkste hulpmiddel dat de Oefeningen het dienstwerk van geestelijke begeleiding te bieden hebben is waarschijnlijk de wijsheid die opgeslagen ligt in de Richtlijnen ter onderscheiding van de geesten (GO 313-336). Een begeleider die zich deze regels innerlijk eigen gemaakt heeft, zal ze spontaan in iedere ontmoeting met de begeleide persoon toepassen. Al zullen ze zelden woordelijk aangehaald worden, hun invloed zal zich impliciet laten gelden in ieder antwoord, in iedere vraag, in iedere verklaring, suggestie of uitdaging die door de begeleider als reactie op het relaas van de begeleide persoon geformuleerd wordt. Die richtlijnen zullen hier dezelfde bedoeling hebben als in de tekst van de Geestelijke Oefeningen is neergeschreven:

“Richtlijnen om de verschillende bewegingen die in de ziel veroorzaakt worden enigszins te voelen en te onderkennen, de goede om erop in te gaan, de slechte om ertegen in te gaan. Deze richtlijnen zijn meer geschikt voor de eerste week.” (GO 313)

Zo’n hulpmiddel is van onschatbare waarde voor wie verlangen in de complexe werkelijkheid van hun eigen psyche, relaties, verantwoordelijkheden en evoluerende zelf-identiteit God te zoeken en te vinden

Op sleutelmomenten in het leven, zij het niet zo frequent, komt ieder mens voor ernstige beslissingen te staan. Wanneer de begeleider de richtlijnen ter onderscheiding weet te combineren met de wijsheid en de methode die Ignatius in de Oefeningen aanbiedt voor het doen van een keuze (GO 169-189), dan kan hij of zij ook hier aan de begeleide persoon waardevolle ondersteuning geven in wat dikwijls een woelige periode is. Geen enkele andere christelijke traditie bezit zulke klare en scherpzinnige richtlijnen voor het doen van een keuze als in de Geestelijke Oefeningen te vinden zijn. Heeft iemand een keuze te doen, dan komen ignatiaanse geestelijke begeleiders in zekere zin op hun eigen terrein. De begeleider weet dat het doen van een keuze, steunend op de bewegingen van de geesten, de kern van het ignatiaanse charisma heel dicht benadert.

Spiritualiteit en psychologie

De laatste halve eeuw is er een vruchtbare dialoog ontstaan tussen geestelijke begeleiding en de humane wetenschappen die gegroeid zijn uit het pionierswerk van Freud, Jung, Adler en nog anderen. Trainingprogramma’s voor geestelijke begeleiders bevatten nu zowel lessen over de psychologische theorieën als over hun toepassing via verscheidene psychotherapieën en counselingtechnieken. Er worden gesprekken gevoerd over de overeenkomsten en verschillen  tussen geestelijke begeleiding en die humane wetenschappen. Sinds 1970 heeft de psychologie op de geestelijke begeleiding een sterke invloed uitgeoefend. Haar inzichten en technieken werden in de oudere traditie geïntegreerd. Meer recent zien we hoe de beoefenaars van psychologische begeleiding en counseling op hun beurt interesse tonen voor de geestelijke begeleiding en ervan willen leren.

De invloed van de psychologie op het dienstwerk van de geestelijke begeleiding is over het algemeen positief geweest. Maar sommige begeleiders hebben ervoor gezorgd dat de psychologie de traditionele opvatting over geestelijke begeleiding niet verrijkte, maar in de plaats daarvan kwam. Het therapeutische model heeft de leiding overgenomen en de aandacht is niet langer gericht op het vinden van God of het groeien in eenheid met God, maar op de psychologische integratie van de begeleide. De profetische dimensie, de scherpe kant van de evangelische uitdaging, komt er niet meer bij te pas en de religieuze oriëntatie van de geestelijke begeleiding is verloren gegaan.

Begeleiders in de ignatiaanse traditie zijn minder geneigd dan sommige anderen om op deze manier toe te geven aan de verleiding van de psychologie. Deze blijft deel uitmaken van hun training en praktijk, maar zal nooit de overhand krijgen. Deze begeleiders blijven immers geworteld in de ervaring van de Geestelijke Oefeningen. Niemand kan Ignatius of de tekst van de Oefeningen ervan beschuldigen alleen maar pleitbezorgers van psychologische heelheid te zijn. De hele dynamiek van de Oefeningen is gericht op het zoeken en vinden van Gods wil in de concrete omstandigheden van iemands leven. Ze zijn totaal theocentrisch, God onze Schepper en Heer staat in het middelpunt, niet het schepsel, niet de retraitant. De Oefeningen zijn een ervaring van dieper in het christelijke mysterie getrokken worden. Vindt door de Oefeningen psychologische heling plaats, dan zien we dit als een geschenk van God. Maar veel mensen zoeken en vinden God en dienen hem getrouw ondanks en te midden van hun bestendig ontwrichte leven. Beoefenaars van de ignatiaanse begeleiding brengen dezelfde overtuigingen en dezelfde wijsheid mee naar de geestelijke begeleiding.

Verschillende spiritualiteiten

Voor een ignatiaanse begeleider is er een belangrijk verschil tussen het werken met iemand die de ignatiaanse traditie deelt en met iemand die uit een andere traditie komt. Als ik te maken heb met bijvoorbeeld iemand wiens fundamentele oriëntatie monastiek is, dan zie ik het als mijn rol die persoon te helpen het monastieke charisma waarachtiger te beleven. Het zou van mijnentwege onethisch zijn te trachten de begeleide persoon naar de ignatiaanse schaapskooi te lokken. Terwijl ik onvermijdelijk een beroep zal doen op mijn ervaring in de ignatiaanse traditie (want zij is het die mij gemaakt heeft tot wie ik ben), ben ik dus ook verplicht gebruik te maken van welke ervaring en kennis ook die ik omtrent de monastieke traditie heb. Daar zullen accenten en nuances van de ignatiaanse traditie zijn die ik niet ter sprake zal brengen. Iemand wiens roeping het is zich uit de wereld terug te trekken, kan ik niet tot grotere betrokkenheid op de wereld aanmoedigen. Dit kan wel heel wat moeilijkheden met zich meebrengen voor een begeleider wiens geest helemaal in de ignatiaanse traditie gedrenkt is. Het kan inderdaad nodig zijn om sommige van mijn spontane reacties op wat ik beluister te onderdrukken, ja om te trachten mijzelf te zien als levend en biddend zoals monniken doen. In zekere zin zal ik meer werken vanuit het algemene model van geestelijke begeleiding dan vanuit een specifiek ignatiaans model.

We hebben met een heel andere situatie te maken wanneer de begeleide persoon al vanuit de  ignatiaanse spiritualiteit leeft, of zelfs wanneer de man of vrouw een zogenaamde beginner is, iemand zonder enige specifieke geestelijke achtergrond. Hier kan ik mij veroorloven om rechtstreekser met een ignatiaanse aanpak te starten en een apostolische spiritualiteit te hanteren, met de nadruk op het proces contemplatief te worden te midden van de actie. Ik houd zending evenzeer in het oog als formeel gebed, de wereld en het universum evenzeer als de ziel van de persoon, groei in vrijheid evenzeer als liturgisch gebed. In dit scenario is er een eenheid van visie en een innerlijke band tussen begeleider en begeleide persoon, wat in theorie de geestelijke begeleiding gemakkelijker zou moeten maken. In de praktijk zal dit echter wel niet altijd het geval zijn.

Ik heb getracht heel speciaal de ignatiaanse geestelijke begeleiding te behandelen in de context van de vernieuwing van dit werk in de christelijke gemeenschap vandaag. Ik heb gesuggereerd dat er een algemeen model bestaat, dat de meeste praktijkmensen hanteren. Maar verschillende historisch bepaalde tradities van geestelijke begeleiding veranderen of verruimen dit model in het licht van hun eigen overgeërfde wijsheid. Ignatiaanse begeleiders zullen zich bewust zijn van het kerkelijke karakter van dit dienstwerk en nadruk willen leggen op de theologische dimensie ervan. Vanuit de Geestelijke Oefeningen zijn ze overtuigd van de centrale rol van het verlangen in het geestelijk leven, alsook van het zorgvuldig toepassen van de Richtlijnen voor het onderscheiden van de geesten. Te midden van de veelheid van benaderingen die vandaag worden gebezigd, mogen ignatiaanse begeleiders vertrouwen hebben in de rijkdom van hun eigen specifieke traditie. Maar het is duidelijk dat dit hen nooit zelfvoldaan of aanstellerig mag maken. Geen enkele aanpak van geestelijke begeleiding biedt een antwoord op alle vragen.

uit: The Way 47/1-2 (2008)

vertaling: Guido Cornelissen S.J.

Print Friendly, PDF & Email