bestnyescorts.com Manhattan Escorts NYC naughty
Cardoner, tijdschrift voor ignatiaanse spiritualiteit
Frilco Philippines Corporation Hazardous Waste Transport Laguna clickonetic best photobooth photo-coverage laguna Free themes elementor pro web services web development
/ Geestelijke Oefeningen - Begeleiden / Het begeleiden van groepen bij gemeenschappelijke onderscheiding

Het begeleiden van groepen bij gemeenschappelijke onderscheiding

Redactie Cardoner on 21/11/2022 - 1:17 pm in Geestelijke Oefeningen - Begeleiden

door Franz Meures S.J.

Het proces van geestelijke onderscheiding loopt steeds een risico op misleiding. De monniken uit de eerste eeuwen van het christendom, die naar de woestijn trokken om God te zoeken en het gevecht met de duivels aan te gaan, wisten dit al. Om niet ten prooi te vallen aan de misleidingen zochten zij een geestelijke vader op, die hen hielp de geesten te onderscheiden. Tot op de dag van vandaag is dat een essentieel onderdeel in de geestelijke begeleiding van individuele personen.

Dat geldt ook voor groepen en gemeenschappen die zich door de Geest willen laten leiden bij het gemeenschappelijk onderscheiden. Zij kunnen veel zelf verhelderen en beslissen, maar niet zelden stagneert of blokkeert het proces. Omdat de leden lijden aan een soort collectieve blindheid ziet de groep niet wat hen hindert. Wanneer zij zich dan bewust worden van de hindernis, weten ze vaak niet hoe die te overwinnen. De groep heeft een buitenstaander nodig om hen hierbij te helpen: een geestelijke begeleider voor de groep.

In de Schrift vinden we twee types van geestelijke begeleiders van individuen en gemeenschappen: engelen en profeten. Engelen helpen de mensen Gods boodschap te verstaan, wijzen de wegen van God, begeleiden en beschermen mensen – alleen of in groepsverband. De engel heeft aldus een helpende, begeleidende en ondersteunende functie. De profeet daarentegen is eerder een kritische vermaner. Hij klaagt aan, kijkt achter de schermen, ontmaskert en roept op tot bekering. Wanneer profeten verschijnen worden geesten gescheiden.

In de loop van de laatste dertig jaar is geestelijke begeleiding voor vele groepen en gemeenschappen een belangrijk hulpmiddel geworden. Groepen van leken (bijv. de GCL) laten zich regelmatig door een groepsbegeleider bijstaan, religieuze communauteiten zoeken vooral bij een herstructurering of heroriëntatie een begeleider of supervisor; ook kerkelijke gremia en kapittels hebben ervaren hoe belangrijk zo’n hulp van buitenaf kan zijn.

 Het ignatiaanse erfgoed 

Omtrent groepsbegeleiding vinden we bij Ignatius zelf niets terug. De huidige benadering is schatplichtig aan de bevindingen van de sociale psychologie, aan de ontwikkeling van groepen met een grotere autonomie en zelforganisatie en aan het verdiept inzicht in geestelijke groepsprocessen.

Toch bevatten de ignatiaanse geschriften veel waardevolle hints voor de geestelijke begeleiding van groepen. De belangrijkste bron vormen natuurlijk de Geestelijke Oefeningen (GO) die in detail de begeleiding van individuen weergeeft. Veel van deze beschreven houdingen en werkwijzen kunnen worden toegepast bij de begeleiding van groepen. Vanzelfsprekend dient de begeleider de materie van de Oefeningen te presenteren en te verduidelijken; daar gaan we nu niet op in. Interessanter is de wijze waarop we het geestelijke proces van de retraitanten kunnen begeleiden, zodat zij zelf de geestelijke bewegingen leren onderscheiden om zo tot een goed besluit te komen.

Ignatius geeft enkele regels omtrent de relatie en communicatie tussen de begeleider en de begeleide. Zijn basisregel is dat zij elkaars opvattingen moeten proberen te sauveren vanuit een positieve interpretatie en dat deze houding het uitgangspunt moet zijn voor elke bevraging (GO 22). Dit uitgangspunt van welwillende communicatie vormt de grondslag voor het vertrouwen in het verdere verloop van het proces. Tegelijk moet de retraitant zijn begeleider getrouw inlichten over zijn beroeringen en gedachten zodat deze verder ontwikkeld kunnen worden (GO 17). Dat alles geldt ook voor de begeleiding van groepen, waarbij de geestelijke bewegingen gewoonlijk veel moeilijker waarneembaar zijn.

Bij de begeleiding van individuen en groepen kan het gebeuren, dat er geen geestelijke bewegingen plaatsvinden (GO 6). In dat geval dient de begeleider te onderzoeken waarom dit zo is om dan de blokkades uit de weg te ruimen. Wanneer er wel geestelijke bewegingen zijn dient hij de Richtlijnen ter onderscheiding van de geesten, die Ignatius uit eigen ervaring heeft verworven, goed te kennen en voor te leggen aan de retraitant op een manier die bij hem aansluit (GO 8-10). Ook de begeleider van groepen heeft een schat aan ervaringskennis nodig om de bewegingen in de groep goed te verstaan en tot een passende interventie te komen. Groepsbegeleiders zouden in staat moeten zijn om de eigen aard van elke groep te peilen (GO 18) en het tempo dat hierbij past te respecteren (GO 4). Bij overhaaste besluiten dient hij nauwgezet te onderzoeken hoe deze tot stand zijn gekomen om dan eventueel een waarschuwing te laten klinken.

Het belangrijkste daarbij is echter een houding van grote innerlijke vrijheid ten opzichte van de begeleide. De begeleider moet de begeleide niet met  zijn kennis overstelpen, maar dient hem zelf tot een eigen “innerlijk voelen en smaken” te brengen (GO 2). Bovenal moet hij de begeleide volledig vrij laten om een eigen keuze te maken “maar zelf in het midden blijven als de wijzer van een weegschaal en de Schepper in direct contact brengen met zijn schepsel en het schepsel met zijn Schepper en Heer” (GO 15). Hier zijn we beland bij de elementaire beginselen van  de groepsbegeleiding. De begeleider dient op geen enkele wijze te proberen de groep in een bepaalde richting te beïnvloeden, maar moet haar helpen om zelf in grote vrijheid een eigen keuze te maken. Voorwaarde voor deze houding van vrijheid is het geloof dat God zich persoonlijk meedeelt aan zijn schepsel. Alleen wanneer de groep vanuit dit geloof leeft en de begeleider erop vertrouwt dat God zelf aan het werk is in de groep, kan de groepsbegeleiding in de juiste gezindheid aangeboden worden.

Een andere grote hulp is de verwijzing naar hoe de begeleider zich moet gedragen bij troosteloosheid (GO 7), juist omdat veel groepen besluiten om een beroep te doen op begeleiding van buitenaf, wanneer crises, blokkades of zelfs “troosteloosheid” het groepsleven gaan bepalen. Ignatius zegt eerst algemeen dat de begeleider “zich niet hard en bars moet tonen maar zacht en vriendelijk”. Concreet omschrijft hij dan de taak van de begeleider in termen van drie functies. Vooreerst moet hij “hem moed en kracht geven voor de toekomst”. Het gaat hierbij om een ondersteunende en aanmoedigende functie zoals reeds bij de “engel” werd vermeld. Ten tweede moet hij “de listen van de vijand van de menselijke natuur blootleggen”. Dat betekent dat een begeleider de groep moet helpen zien en verstaan wat er gaande is binnen de groep – vooral wat storend is. Ten derde dient hij “de ander voor te bereiden en toe te rusten voor de komende vertroosting.” Crises, conflicten en moeilijkheden kunnen ertoe leiden dat elke hoop op verbetering opgegeven wordt. De begeleider moet de groep helpen om de hoop op een positieve verandering levendig te houden.

Ook bij de eerste Directoria van Ignatius treffen we nog een paar aanwijzingen aan omtrent de taak van de begeleider bij onderscheidings- en keuzeprocessen. Wanneer iemand niet echt de Geestelijke Oefeningen wil doen om een levenskeuze te maken, moet de begeleider hem door gesprek en uitleg hierop helpen voor te bereiden. Ook bij groepen moet er vaak eerst werk gemaakt worden van het motiveren, vooraleer de groep zich kan toeleggen op een gemeenschappelijk en geestelijk onderscheidingsproces. Wanneer er geen echte bereidheid bestaat omtrent het nemen van een besluit, moet de begeleider voorkomen dat de beslissing te snel en daarmee slecht tot stand komt en erop aandringen dat ze uitgesteld wordt. Dat betekent dat de begeleider moet uitmaken of de tijd al dan niet rijp is voor een beslissing. Ignatius geeft de begeleider dus de opdracht kritisch te beoordelen of er werkelijk een goede beslissing tot stand is gekomen.

In de Constituties van de Sociëteit van Jezus vinden we drie voorzieningen die enigszins de taak van groepsbegeleider benaderen. De belangrijkste is die van zaakwaarnemer (collateralis), hoewel die in de geschiedenis van de Orde niet in stand bleef. De zaakwaarnemer staat naast de overste, maar is hem geen gehoorzaamheid verschuldigd. Zijn hoofdrol is die van raadgever en medewerker en geeft hem kritische ondersteuning, maar hij wordt ook verondersteld om de communicatie met de communauteit te verhelderen. In een instructie over de zaakwaarnemer schrijft Ignatius:

 Hij dient vooral hem (de overste) boven alles te informeren over wat deze dient te weten en zijn mening met christelijke vrijheid en bescheidenheid te zeggen met betrekking tot wat hij ziet dat de overste gezegd moet worden over zijn persoon en zijn besturen. Nadat hij echter daaraan herinnerd heeft en de argumenten en motieven naar voren heeft gebracht moet de zaakwaarnemer zijn eigen oordeel onderwerpen en dat in overeenstemming brengen met dat van de overste. Hij moet er voor zorgen, voor zover dat mogelijk is, dat de onderdanen onder elkaar en met de overste tot overeenstemming komen, wanneer dat echt noodzakelijk is, doordat hij zich onder hen als een engel van vrede opstelt.

(Ignatius van Loyola, Briefe und Unterweisungen. Würzburg 1992. Brief n. 2356, p. 388)

 Een overeenkomstige opbouwende en verhelderende functie kan ook vervuld worden door de visitator. Natuurlijk wordt deze aangesteld met ruime juridische macht en dat draagt bij tot autoriteit. Toch vinden we in de geschriften van Ignatius steeds weer aanduidingen dat de visitator ook een begeleidende functie heeft, bijvoorbeeld wanneer hij zich wijdt aan “de geestelijke of materiële verzorging” van een college of wanneer hij door zijn interventies het Gezelschap van Jezus ter plaatse “nog veel meer in de geest en alle deugden” doet toenemen. Bovendien bevat de  voorgeschreven regel tot regelmatig briefcontact binnen de Sociëteit een grote hoeveelheid aan elementen, die bij groepsbegeleiding van belang zijn. Het schrijven van brieven verplicht de plaatselijke overste en zijn medebroeders regelmatig te reflecteren over hun eigen situatie en manier van handelen. Het doet hen ook open staan voor ideeën van buitenaf. In een uitvoerig onderricht somt Ignatius twintig voordelen op van het schrijven van brieven. Het tiende voordeel luidt: “ Velen hebben nood aan advies omtrent zichzelf en hun manier van handelen, omdat zij alleen zijn, vaak in beslag genomen door allerlei engagementen en bij vele gelegenheden verward kunnen raken. Deze mensen hebben baat bij de mening van hun overste, als zij hem voortdurend op de hoogte houden van hun aangelegenheden en hun hart voor hem openen. En eenzelfde voordeel wordt nog ruimer verspreid als eenieder in de Sociëteit zo advies kan geven.”

Specifieke uitdagingen bij de begeleiding van geestelijke groepsprocessen

 Wie zich tegenwoordig ten dienste stelt van groepsbegeleiding bemerkt al spoedig dat hij daarbij met heel specifieke uitdagingen wordt geconfronteerd: uitdagingen die voortkomen uit het fenomeen groep, uitdagingen die samenhangen met de vraag naar geestelijke groepsprocessen en uitdagingen die voortvloeien uit de specifieke rol van de groepsbegeleider.

Er is een groot verschil tussen het geestelijk begeleiden van een individu en dat van een groep. Door de veelheid aan personen ontstaat er in een groep een enorm complex geheel van verhoudingen, rolpatronen en structuren. Daardoor wordt het groepsproces door een bijna ontelbare hoeveelheid van factoren beïnvloed. Die stammen zowel uit de omgeving van de groep als uit de bijzondere situaties en dynamieken van de individuele leden alsook uit de specifieke drijfveren die zich binnen de groep hebben ontwikkeld. Die factoren werden door de sociale psychologie en de groepsdynamica uitvoerig onderzocht. In deze bijdrage wordt daar niet verder op ingegaan. Toch zou ook iedere geestelijke begeleider van groepen over een basiskennis en elementaire competenties op dit terrein moeten beschikken. Wie een groep wil begeleiden – los van het geestelijke aspect – heeft nood aan de kennis en techniek van een supervisor.

Wat is nu het verschil tussen een gewoon groepsdynamisch proces en een geestelijk onderscheidingsproces in groep? Is onderscheiding binnen zo’n setting wel mogelijk? Is de groepsdynamiek al niet geestelijk te noemen, wanneer het gaat om een religieuze of kerkelijke groep? Wat verstaan we eigenlijk onder een “geestelijk proces” binnen een groep? Als antwoord op deze vragen zou ik volgende omschrijving van een geestelijk groepsproces willen voorstellen:

Wanneer meerdere personen als groep bij elkaar zijn gekomen en in directe communicatie tot elkaar staan, ontwikkelen zich processen, die met termen uit de sociale psychologie en groepsdynamica te omschrijven zijn. Dergelijke processen zijn geestelijke processen voor zover de leden van de groep voelen en geloven dat God werkzaam is, telkens nieuw, doorheen hun ervaringen met elkaar en hun  leefwereld rondom en zij bovendien een antwoord geven op het appel van God, dat daarin duidelijk wordt. Daardoor veranderen de verhoudingen tussen de leden van de groep onderling, tot hun leefwereld rondom en tot God, wat effect heeft op de wijze van communiceren en de normen en structuren van de groep.

Belangrijk bij deze omschrijving is dat geestelijke processen niet compleet verschillen van gewone groepsdynamische processen, maar dat de normale bewegingen binnen de groep echt anders ervaren en verstaan worden, namelijk als het werken van God met deze groep. Deze geloofsdimensie verandert de dynamiek van de groep en maakt geestelijke onderscheiding in groep mogelijk. Dan kunnen we geestelijke onderscheiding in groep als volgt verstaan:

Onderscheiding van de geesten in groep is een proces ter verheldering, waarbinnen een groep, vanuit het geloof in Christus, de door de groep ervaren bewegingen – van interne of externe oorsprong – toetst op welke meer naar God voeren of eerder van hem verwijderen, om zo te kunnen beslissen welke weg zij te gaan hebben.

 De uitdagingen voor een groepsbegeleider zijn drieërlei. Vooreerst moet hijzelf een geestelijk mens zijn, die vanuit een persoonlijke vertrouwdheid met Christus, innerlijke en uiterlijke bewegingen kan onderscheiden. Ten tweede moet hij werkelijk geloven dat God zelf  in de te begeleiden groep aan het werk is (vgl. GO 15). En ten derde moet hij de groep kunnen helpen bij het verstaan van hun ervaringen met God.

Om een dergelijk werken van God of van zijn Geest te kunnen identificeren en  onderscheiden heeft Ignatius vanuit zijn eigen ervaringen enkele fundamentele begrippen ontwikkeld. De twee belangrijkste zijn “geestelijke vertroosting” en “geestelijke troosteloosheid”. Zij vormen in zekere zin het basismateriaal voor geestelijke onderscheiding.  Hoe die zich voordoen bij een individu wordt heel nauwkeurig beschreven in de Geestelijke Oefeningen bij de Regels voor de onderscheiding der geesten (GO 316-317). Voor een geestelijke onderscheiding binnen een groepsproces is het noodzakelijk deze regels voor een individu aan te passen. Ik zou de aangepaste versie van de twee vermelde regels als volgt willen verwoorden:

Over geestelijke troost binnen een groep.

 Ik spreek van geestelijke vertroosting, wanneer binnen een groep bewegingen optreden die de groep helpen samen naar God te zoeken en zich daarop te richten; verder wanneer de plannen, intenties en doeleinden van de groep de steeds grotere liefde tot God beogen; alsook wanneer sterke emotionele reacties binnen de groep optreden, waardoor deze tot de liefde voor haar Heer bewogen wordt, hetzij vanuit de pijn om conflicten, fouten en zonden in de groep of via het lijden van Christus of via andere gegevenheden. Ik noem “vertroosting” elke vermeerdering van hoop, geloof en liefde en alle vreugde binnen de groep waardoor zij zich op God richt en zelf heil ontvangt, doordat vanuit de Heer rust, vrede, acceptatie en consensus binnen de groep mogelijk worden.

 Over geestelijke troosteloosheid binnen een groep.

  Troosteloosheid noem ik stemmingen binnen de groep die juist het tegenovergestelde zijn van wat hierboven bij troost werd gezegd, namelijk het ontbreken van perspectief en verwarring binnen de groep, grove en gemene interacties, onrust, strijd en chaos omwille van verschillende uitdagingen en vragen. Het zijn omstandigheden die tot een vermindering van geloof, hoop en liefde voeren, waarbij de groep zich als  verlamd, lusteloos of berustend ervaart en zonder enig vertrouwen in Gods hulp of hoop op geestelijke vooruitgang.

Een groepsbegeleider focust zich vooral op dergelijke ervaringen en helpt de groep bij de onderscheiding. Daarom moet hij wel zelf alle verdere regels voor het omgaan met troost en troosteloosheid zeer goed kennen en kunnen toepassen (GO 318-336).

Tenslotte zijn er nog een paar vereisten met betrekking tot de bijzondere rol van de begeleider, een rol die niet vanzelfsprekend is en niet gemakkelijk te omschrijven. De begeleider is geen lid van de groep; hij wordt door de groep voor deze dienst gevraagd. Daarin ligt vaak al een zekere moeilijkheid; misschien is de groep niet tot een onderlinge overeenstemming gekomen om groepsbegeleiding te vragen. In de eerste fase van de begeleiding is het nodig dat de groep en de begeleider duidelijke afspraken met elkaar maken, om zo te zeggen een contract aangaan waarop het verdere samenwerken steunt. Een dergelijke heldere en betrouwbare verhouding tussen groep en begeleider is nodig opdat de begeleider ook de rol van  kritische profeet zou kunnen uitoefenen. Hij moet immers de groep kunnen aanmanen, onderhuidse processen naar boven te brengen en onrijpe beslissingen te bevragen.

 De taken van de groepsbegeleider

Een omvattende beschrijving van de rol en taken van een groepsbegeleider kan hier niet gegeven worden. Daarvoor zou een cursus voor groepsbegeleiding nodig zijn. Maar wel dienen een paar wezenlijke functies van de begeleider verhelderd te worden. Ik zie de begeleider als een soort “pleitbezorger” van verschillende aandachtspunten gedurende het onderscheidingsproces in de groep. Toch ga ik ervan uit dat de groep zelf al deze belangen voor ogen heeft en probeert om hieraan adequaat tegemoet te komen. De begeleider dient deze zelfsturende groepsprocessen te ondersteunen en aan te moedigen. Een ingrijpen van zijn kant is pas dan nodig, wanneer het duidelijk wordt, dat de groep zulke fundamentele belangen verwaarloost of deze niet uit eigen kracht kan verdedigen. Ik zie hier vijf bekommernissen die een begeleider zou moeten bepleiten.

1 De begeleider als pleitbezorger van open communicatie en interactie binnen de groep

 Dat is de eerste bekommernis zonder welke niets anders kan slagen. De begeleider moet in eerste instantie ervoor zorgen dat de communicatie in de groep fair, welwillend en positief verloopt. Soms betekent dit dat hij de basisregels van de face-to-face communicatie met de groep nog eens moet opfrissen en inoefenen. Een paar voorbeelden: iedereen moet spreken in termen van “ik denk” en niet van “men zegt” ; de deelnemers dienen eerder vanuit hun eigen ervaringen en gevoelens te spreken dan de anderen met hun theorieën en vragen te bombarderen; ieder dient aan het woord te komen, ook degenen die het moeilijk vinden om in een groep te spreken.

Voor alles gaat het erom, dat alle leden van de groep zich de moeite getroosten om de uitingen en gedragingen van de anderen als positief en welwillend te interpreteren (GO 22) en zich van eventuele negatieve of afwijzende oordelen over anderen te onthouden. Alleen op deze wijze kunnen vertrouwen en openheid in de groep groeien, wat wijst op het werken van de “goede geest” binnen de groep.

Werken aan goede communicatie en het groeien in vertrouwen binnen de groep zijn fundamenteel voor elk  onderscheidingsproces. Want enkel in een sfeer van vertrouwen zijn de groepsleden in staat om over hun echte ervaringen en motieven te spreken, deze ook aan een kritische intervisie te onderwerpen en beslissingen te riskeren die veraf staan van de eigen voorkeuren.

  2 De begeleider als pleitbezorger van heldere en functionerende structuren in de groep

 Elke groep heeft structuren nodig om chaos te vermijden. De begeleider ondersteunt de groep die zelf structuren aanbrengt om beter haar doelstellingen te bereiken. Een wezenlijke structuur betreft de begrenzing van het lidmaatschap. Wie behoort tot de groep? Wie mag en moet deelnemen aan een proces van gemeenschappelijke onderscheiding? Welke gradatie van vertrouwelijkheid is wenselijk om de groep een goed onderscheidingsproces te laten doorlopen? Andere structuren houden verband met de taken en verantwoordelijkheden binnen de groep. Het is belangrijk dat de bevoegdheden van de groepsleiding duidelijk en doorzichtig zijn. In de zin van de bovengenoemde zaakwaarnemer (collateralis) kan dat voor de begeleider betekenen dat hij de groepsleiding aanspreekt op openlijke of toegedekte conflicten en daardoor bijdraagt tot een grotere geloofwaardigheid en betere werkzaamheid van de groepsleiding.

Tot de structuren van een groep behoren ook normen en conventies, bijv. over de plicht tot deelname aan sessies, het regelen van afwezigheden, de duur van spreektijden. De begeleider dient erop te letten dat al deze regels helder en voor iedereen acceptabel zijn. Tenslotte zijn er ook structuren met betrekking tot tijd en plaats. Waar komt men bij elkaar? Welk tijdschema is er? Welke tijdslimieten moet het proces respecteren?

3 De begeleider als pleitbezorger van gezamenlijke aandacht voor de werking van Gods Geest

 Hierbij wordt de aandacht uitdrukkelijk gericht op het geestelijke proces binnen een groep. Een begeleider kan de groep helpen om hun gemeenschappelijke proces en ervaringen als een werken van God te verstaan. De houding van de groep als geheel moet er een zijn van “God zoeken in alles”; een contemplatieve houding dus. De begeleider ondersteunt alles wat de aandacht van de groep bevordert voor het werken van Gods Geest in haar midden.

Dat kan betekenen dat hij de tijden voor gebed en meditatie, zowel individueel als voor de groep, in het oog houdt. Het kan ook betekenen dat hij moeite doet om de reeds afgelegde weg van de groep als een werken van God te verstaan. Ook de eerste gezellen van de Sociëteit van Jezus beschouwden hun communauteit als door God tot stand gebracht en besloten daarom als groep bij elkaar te blijven. Boven alles moet de aandacht gericht zijn op die issues die bijdragen tot het beter onderscheiden van de werking van de geesten binnen de groep. De sleutelvraag is steeds weer: wat brengt de groep tot meer gemeenschap met God en tot een echtere navolging van Christus? Met hulp van de begeleider leert de groep de verschillende bewegingen van troost en troosteloosheid te onderscheiden en beter om te gaan met de strategieën van de vijand (vgl. GO 325-327). Bij duidelijke teleurstelling in het onderscheidingsproces kan de begeleider gevraagd worden om de groep te confronteren en te motiveren haar bedoelingen nog eens te toetsen.

4 De begeleider als pleitbezorger van een goed geordend onderscheidings- en keuzeproces

 De begeleider heeft de taak het verhelderingsproces zodanig te ondersteunen dat de groep, doorheen onderscheiding en besluitvorming, zich meer en meer ter beschikking van God stelt. De ignatiaanse term “goed geordend” betekent dat iets gericht is op de dienst en de lof van God; het geeft een menselijke intentie weer. Een onderscheidingsproces is dus “goed geordend” als het de groep helpt om op Gods roep een antwoord te geven.

Een begeleider moet dus beschikken over meerdere methodes om in verschillende situaties de groep te kunnen helpen. Er bestaat geen ideaal proces van beraadslaging. Er zijn alleen maar methodes die in meerdere of mindere mate het onderscheidingsproces van de groep kunnen bevorderen. Ook bij de “beraadslaging van de eerste gezellen” werden op zijn minst drie verschillende manieren van beraadslagen gebruikt en een paar andere methodes werden ernstig in overweging genomen. Een begeleider zou een groep moeten helpen de gepaste volgende stappen in het proces te vinden en te nemen. Wanneer het daarbij gaat om een formeel proces van geestelijke onderscheiding, zou de begeleider erop moeten letten dat de vier noodzakelijke fases – voorbereiding, opstarten, beraadslaging en beslissing – zorgvuldig door de groep worden doorlopen. Daar minder gestructureerde processen zich niet laten plannen, moet de begeleider voorbereid zijn op improvisatie aangaande de flow van het proces.

5 De begeleider als pleitbezorger van realistische beslissingen

 Tenslotte moet de begeleider ook de beslissingen van de groep kritisch toetsen. Dat betekent allereerst erop toezien dat de groep werkelijk in staat en bereid is een ernstige keuze te maken. Wanneer de beslissing nog niet “rijp” is, moet hij dit eerlijk aan de groep meedelen. De toetsing kan vervolgens ook betrekking hebben op de geestelijke bewegingen en motivatie van de groep. Komt er na de keuze werkelijk tevredenheid en troost in de groep? Is er motivatie te bespeuren om de genomen beslissing concreet te realiseren? Een derde vorm van toetsing is nodig wanneer  beslissingen grotendeels genomen werden op basis van de stemmingen van de groep en verlangens van buitenaf onrealistisch lijken en niet bestand zijn tegen kritisch onderzoek. In dergelijke gevallen kan de begeleider een onpartijdige buitenstaander inschakelen om de groepsbeslissing te toetsen.

Eerder gepubliceerd in: In der Kraft des Geistes.Beiträge von Franz Meures zur Spiritualität der Exerzitien, (Igna Kramp, Johanna Schulenburg edt.) Würzburg, 2021, p. 273-285;
The Way Supplement 85 (1996), “The Ministry of Facilitation”, p. 62-72

 

 vertaling uit het Duits: Rita Vandevyvere en Gerard Wilkens S.J. 

 

De auteur Franz Meures (°1951) is een Duitse jezuïet. Hij was onder meer provinciaal overste, rector van het Collegium Germanicum in Rome en verantwoordelijke voor het vormingsinstituut van de Duitse Conferentie van religieuze oversten. Geestelijke begeleiding en gemeenschappelijke onderscheiding hebben zijn warme interesse.

 

Print Friendly, PDF & Email